21 mei 2009

60 jaar later

Stanley Jones (1884-1973) schreef in 1938, temidden van de opkomst van het communisme en het fascisme, zijn boek "Aan ons de beslissing", over de relevantie van het koninkrijk van God hier en nu. Mensen hadden het idee dat ze of voor het communisme, of voor het fascisme moesten kiezen. Stanley Jones stelde als escape voor om het Koninkrijk van God hier en nu gestalte te geven.
Een aantal woorden uit boek:

Het Koninkrijk

Een bisschop heeft eens, in wat hij zelf waarschijnlijk beschouwde als een vernietigende critiek op een van mijn boeken, gezegd: „Stanley Jones schijnt bezeten te zijn van de gedachte van het Koninkrijk Gods op aarde." Toen ik dat las, sprong mijn hart op van blijdschap, en ik dacht: „God geve, dat dat waar is. Want dat zou een heerlijke bezetenheid zijn." Als ik van iets bezeten moet wezen, als iets me moet aangrijpen, me beheerschen, indien ik aan iets mijn trouw verpanden moet, dan hoop ik, dat het dit zal zijn... en ik zal u zeggen waarom.
Maar voor ik dat doe, wil ik u eerst even vertellen, dat er in den godsdienst in het algemeen en in het Christendom, zooals het tegenwoordig is georganiseerd, in het bijzonder, werkelijk niet veel is, waarvan ik bezeten ben. Dat alles lijkt zoo onbelangrijk, het is er, als we de wereld van tegenwoordig zien, zoo vreeselijk naast! Het is gedoemd, onder te gaan, omdat het zijn beteekenis, zijn actualiteit, verloren heeft. En allerminst ben ik bezeten van een opvatting, die dezelfde bisschop in hetzelfde tijdschrift ten beste gaf: „Het Christendom is te vereenigen met ieder economisch stelsel, mits de persoonlijke vrijheid er niet door aangetast wordt." Is werkelijk de persoonlijke vrijheid het eenige criterium? Vrijheid om wat te doen? Om te leven op ieder willekeurig peil van maatschappelijken welstand, in een half verhongerde wereld? Dat criterium gaat uit van een zuiver persoonlijke opvatting van het Christendom; het uitgesproken sociale karakter van de leer van Christus wordt daarbij geheel over het hoofd gezien. Van zulk een opvatting kan ik in dezen tijd onmogelijk bezeten zijn. Want de nood dezer wereld heeft twee kanten. Ten eerste is zeer zeker het zedelijk peil van het individueele leven gedaald. Vele oude zekerheden zijn uit het leven van den modernen mensch verdwenen. Hij heeft zijn geloof niet opgegeven, het is hem ontsnapt. Het is opgelost in het bijtend zuur van het moderne denken. Hij zou graag willen gelooven, want het leven zonder den ,Grooten Kameraad" is wel zeer eenzaam. Bovendien blijkt het moeilijk, nog eenige waarde vast te houden, als die eene, centrale waarde, God, eenmaal is weggevallen. Wie zijn hemel verliest, verliest ook spoedig zijn aarde. Niemand kan lang blijven gelooven in den mensch, zonder te gelooven in iets, dat grooter is dan de mensch en dat hem bestendigheid en beteekenis geeft. De moderne mensch lijdt daarom aan een innerlijke leegte, hij leeft in een op alle manieren „gedevalueerde" wereld. Ten tweede ziet hij het maatschappelijk stelsel, waarop hij zoo vast vertrouwde en dat ook zoo betrouwbaar leek, onder zijn oogen ineenstorten. Het gaat te gronde door zijn innerlijke tegenstrijdigheid en spanning. Hij voelt de behoefte aan iets, dat aan de sociale verhoudingen hun vastheid hergeven zal, iets, dat hem de zekerheid geeft een basis te bezitten voor zijn maatschappelijk leven, zoodat het niet steeds heen en weer slingert tusschen fantastische verwachtingen en volslagen wanhoop. De moderne mensch is dus op twee plaatsen gewond en heeft behoefte aan een dubbel remedie; aan iets dat zijn innerlijk leven nieuwe kracht geeft en tegelijkertijd een basis kan vormen voor de sociale en maatschappelijke verhoudingen, die nu op losse schroeven staan. Ik kan slechts bezeten zijn van iets, dat aan die dubbele behoefte voldoet. Er is in de godsdienst veel, dat daar niet aan voldoet. Daarvoor heb ik de belangstelling verloren.