20 augustus 2018

Een patatje zonderling

Na de samenkomst doolde ik met mijn automatenkoffie nog wat rond tussen de druk met elkaar in gesprek zijnde gemeenteleden. Iemand prikte me met een vinger in mijn rug. Ik draaide me om en een semi-bejaarde meneer stelde vragend vast dat ik dus uit Rotterdam kwam. Een betere openingszin is moeilijk te bedenken. Mijn verse gespreksgenoot kwam daar dus ook vandaan, hoewel hij ten zuiden van de rivier woont. Da's toch anders.

Wat bracht hem hier? Komt u hier vaker?
"De Heer" en "nee," waren de antwoorden.
Mijn "wat bracht u hier, meneer" was de vraag waar hij blijkbaar op had zitten wachten.
Wat volgde was een verhaal van het uit twee kerken te zijn gezet en hoe de Heer hem vervolgens duidelijk had gemaakt dat de beste man uitverkoren was om privéonderwijs van de levende God te ontvangen; "zoals de Heer van aangezicht tot aangezicht met zijn dienstknecht Mozes sprak, zo spreekt hij ook met mij."

Ik realiseerde me meteen dat ik in bijzonder gezelschap verkeerde. Iemand die een directe verbinding met God heeft, daar moet je zuinig op zijn en heel goed naar luisteren. Het gehalte aan openbaring dat volgde viel me enigszins tegen. Wat ik kreeg was een relaas over de zuiverheid van de Statenvertaling en hoe God zich slechts openbaart middels de zuiverste vertaling. Juist ja.
Hoewel de Heer hem dus duidelijk had gemaakt dat hij in de dienst moest zijn waar ik die morgen toevallig sprak, werd me al snel duidelijk dat hij niet de opdracht had gekregen om naar de preek te luisteren. Anders had mijn verhaal over hoe de mens geneigd is om secundaire zaken gemakkelijk te promoveren tot primaire zaken om er vervolgens mee aan de haal te gaan om het tot kernpunt van een persoonlijk missie te maken, wellicht wat irritatie bij hem gewekt. Nee, het was helder dat het idee dat een vertaling, of het verliefd zijn op eigen kennis en interpretatie een afgod kon worden bij hem aan dovemansoren was gericht. Een kenmerk van dit soort lieden is dat ze slecht of niet langer naar anderen luisteren. De kerk kan een afgod worden, zo ook de liturgie, de samenzang, de eigen ervaring, een leider of predikant en ga zo maar door.

Omdat ik mensen zoals hierboven beschreven regelmatig tegenkom en spreek, houdt de vraag wat hen bezielt mij regelmatig bezig. Ik ben tot de voorzichtige conclusie komen dat, als ze verder normaal functioneren en er geen sprake is van enige chemische onbalans in de hersenen, de stellige,  doch begoochelde ideeën een resultaat zijn van onzekerheid. De onzekere klampt zich redelijk gemakkelijk vast aan het vermeende zekere. Het geeft namelijk het houvast dat men buiten dat geloof mist.
Het geloof heeft met de wetenschap gemeen dat het steunt op dogma's, de fundamenten waarop de bouwstenen van de geloofsconstructie, of wetenschapsconstructie worden geplaatst die uiteindelijk tot een "logisch" geheel leiden.
Het idee dat taal en beeld (zie ook mijn vorige blog) slechts uitdrukkingen zijn van iets dat veel groter, dieper, onbegrijpelijker, en ondoorzichtiger is, gaat er bij sommigen niet in. Het vraagt echter niet al te veel verbeeldingskracht en redeneringsvermogen om in te zien dat beeld en taal altijd beperkt zijn in hun vermogen om dat diepere te vertalen. Vandaar dat we bijvoorbeeld zeggen: "woorden schieten tekort." Als het gevonden woord of het gecreëerde beeld wordt verabsoluteerd, is er sprake van een afgod.
Het wezen van geloof en wetenschap is dat ze nooit "uitgedogmaad" zijn. Dat is ook de schoonheid en aantrekkingskracht van zowel geloof als wetenschap. Dat wat we menen te weten dient voortdurend  te worden blootgesteld aan de werkelijkheid en onderworpen aan tests. Dat is geen bedreiging en kan slechts leiden tot een treffender beeld of woord en een robuuster "weten,"

Ik wens mijn gespreksgenoot het allerbeste (en zo weinig mogelijk slachtoffers) toe en mijzelf meer geduld. Ja, ik verlies mijn geduld vrij snel. Helaas komt dat de zaak niet ten goede.

14 augustus 2018

Zing, zing, zingen maakt blij



Na uren in vliegende buizen met vleugels te hebben doorgebracht spuwen de tientallen passagiersbruggen die de vliegmachines met het luchthavengebouw verbinden hun honderden passagiers uit. Vermoeid, enigszins gedesoriënteerd, geïrriteerd, een enkeling nog enigszins fris, volgt de massa de bordjes die naar de verlossende uitgang, toiletten of (minder verlossende) doorverbinding wijzen. Aan het eind van de tunnel zingt een man. De breed glimlachende Afro-Amerikaan zingt de passagiers een welkom toe en dirigeert de uitgang zoekende passagiers naar links en de doorverbindende passagiers naar rechts. Met weidse gebaren onderstreept hij zijn woorden. De tot dan toe redelijk in zichzelf gekeerde massa verandert zichtbaar. Hoofden gaan omhoog, irritaties verdwijnen als sneeuw voor de zon en het aanstekelijke optimisme van de zanger tovert bij de meeste een glimlach op het gezicht. 

Ik had al enkele keren het voorrecht gehad om bij aankomst in New York de beste man bij mijn aankomst te treffen. Tijdens het landen vroeg ik me af of hij er vandaag weer zou staan. Ik hoopte het van harte, temeer ik zo'n passagier ben die gemakkelijk door irritatie en andere gevolgen van reisstress overmand wordt. Het besef drong tot me door dat deze vriendelijke man in mijn hoofd was gaan zitten.
Ja, hij stond er weer en ik kon mezelf niet helpen of tegenhouden; zijn optimisme en vriendelijkheid spoelden alle stress van me af zoals een welkome douche het zweet en vuil van het lichaam spoelt. Na zo'n douche voel je je weer helemaal mens.

Na zonder al te veel moeite alle vliegtuigvoedsel dat me gedurende de reis was aangeboden te hebben geweerd, was ik nu wel aan een gezonde hamburger met frietjes toe en parkeerde mezelf bij de eerste de beste fastfood tent die ik in de aankomsthal tegenkwam. Net toen ik de hamburger in een houdgreep had en richting mijn gezicht bewoog zonder dat er al te veel spul van tussen de broodjes wegsijpelde, vroeg een man of de stoel naast me vrij was. 
Hé, die man ken ik. Dat is de man die passagiers al zingend welkom heet in het land waar alle dromen (kunnen) uitkomen. Het was zijn lunchpauze en uiteraard greep ik de gelegenheid aan om hem eens ernstig te ondervragen.
Zijn optimisme was voor hem een logische gevolg van zijn geloof en hij vertelde me hoeveel voldoening het gaf om een lach op het gezicht van vermoeide passagiers te zien verschijnen: "Dit is mijn missie en ik heb dit tientallen jaren met veel genoegen en voldoening mogen doen." 
"Hoezo, mogen doen?"
"Wel, jongeman, vandaag is mijn laatste dag. Ik ga met pensioen."
Fijn voor hem, een verlies voor New York!

Nu, jaren later zit hij nog steeds in mijn hoofd en ik realiseer me dat er niet zo bar veel nodig is om deze wereld een iets betere plek te maken. Ik denk regelmatig aan hem als ik weer eens in de reisstress dreig te geraken (of er middenin zit). Op zo'n moment zeg ik dan stilletjes "sorry," en het gewicht dat ik draag wordt wat lichter. 
  
Spreuken 16:24 Vriendelijke woorden zijn als honing voor de ziel en als medicijn voor het lichaam.


7 augustus 2018

Behelpen met beelden

Her en der ontmoet ik ze; mensen die claimen God te hebben gezien, of gehoord. Ik voel altijd iets van jaloezie als ik bijvoorbeeld hoor: "God zei tegen me....", of "God verscheen aan mij in een droom." Het blijft echter altijd wel in wat abstracte vaagheid hangen. Ik moet de eerste nog tegenkomen die vertelt dat hij in een café een cola light aan het drinken was en dat God naast hem kwam zitten en een gesprekje met hem begon. Als ik doorvraag over het hoe, wat, waar en de omstandigheden en of, als ik er bij was geweest ik precies hetzelfde gehoord of gezien zou hebben, blijkt het een "sterke indruk" te zijn geweest; "het klonk, leek heel echt".
Het "probleem" met het horen en/of zien van God is dat dit altijd plaatsvindt binnen de overweldigende beperkingen die inherent zijn aan beeld en taal. Voor zover we weten is God een "ondoordringbaar licht", of "woont in een ontoegankelijk licht" (1 Tim. 6:16).
Licht kun je niet zien, hoewel we in het gangbare taalgebruik wel zeggen "ik zag een licht." Dat laatste kunnen we alleen maar zeggen omdat het betreffende licht de omgeving zichtbaar maakt. Licht kun je slechts beschrijven en daarvoor gebruiken we taal en beelden.
Licht als metafoor voor God is wellicht het sterkst beschikbare beeld: als object onzichtbaar en tegelijk alles zichtbaar makend.

Credit: Atelier Ed Boelaarts
Een tijd terug vertelde iemand me dat hij Jezus in een droom had gezien; "althans, ik denk dat het Jezus was want hij leek er precies op". Dit nu is een klassiek voorbeeld van wat we als mensen doen; we vormen beelden in onze gedachten. Helemaal niets mis mee want we kunnen niets anders dan werken met wat we aan beeld en taal voorhanden hebben. Het wordt een "issue" wanneer we in het beeld dat we hebben gevormd gaan geloven - de basis voor fundamentalisme in alle verschijningsvormen en de vrijwel altijd daarmee gepaard gaande zendingsdrang  (economisch, sociaal, politiek, spiritueel, enz.).

Beelden spelen een belangrijke rol in hoe we naar de wereld kijken. Ze zijn zelfs essentieel. Beelden zijn dan ook onmisbaar voor onze geloofsvorming. Een beeld kan echter nooit het geloof vervangen. Sterker nog, beelden kunnen zomaar een obstakel zijn voor het geloof in God. Wellicht dat geloof pas mogelijk is na een radicale beeldenstorm! Zonder beelden kan ik me nergens meer aan vast houden. Het enige dat overblijft is vertrouwen op en in dat Licht!
Een van de redenen dat Jezus zo belangrijk is in het christelijke geloof is dat, wat niemand ooit gezien heeft, door Hem zichtbaar en tastbaar is gemaakt.