23 juni 2018

Waar moet dat heen met al die room (in Jezus naam)?

Het Evangelie is niet het beste verdienmodel hoewel sommigen de bekwaamheid hebben ontwikkelt om er een of meerdere vliegende slaatjes uit te slaan. Geen enkel argument dat deze lieden aanvoeren om deze spilzucht te rechtvaardigen, die feitelijk niets anders is dan het voeden van hun narcistische ego, houdt stand. De misplaatste 'geest van grandeur' bestaat al sinds mensenheugenis en wordt op alle terreinen en in alle lagen van de samenleving gevonden.
Herkenbaar is de massale verbazing en verontwaardiging van de ene groep over deze verkapte vorm van indulgentia*, waartoe de andere groep zich toe laat verleiden.

Er zijn verschillende manieren waarop men toch aan het Goede Nieuws van God weet te verdienen. Het "seedgift" fenomeen is een creatieve en vergeestelijkte vorm van het piramidespel. De predikanten die de goedgelovige en argeloze toehoorder voorhoudt dat het tientje dat vandaag gezaaid wordt toch zeker door God vermeerderd zal worden tot minimaal het tienvoudige zal, omdat hij aan de top van de piramide staat en zeer 'afroomkundig' is, de waarheid van deze belofte kunnen aantonen aan de hand van zijn persoonlijke getuigenis; voilà, het werkt! De mindere goden onder hem zullen, daar de meeste room al is weggeschept, het met een beduidend lager rendement moeten doen. Helemaal onderaan de piramide wachten de gelovigen voor wie dat tientje best wel veel geld is, geduldig en gelovig af op de inlossing van de belofte van bovenaf.

Als het om geld gaat zijn gelovige leiders er snel bij om uit het Oude Testament te putten en hun oproep om te geven dik onderstrepen met verhalen en principes die daar te vinden zijn. Een typisch Nederlandse discussie is dan de vraag of de voorgeschreven weg te geven tien procent van het bruto of van het netto salaris dient te worden afgeleid. Daar waar het gaat om sancties op andere in het Oude Testament voorgeschreven overtredingen van gewenst gedrag, wordt sneller naar het Nieuwe Testament gekeken. Met andere woorden, de druk en aanmoediging om te geven wordt zwaarder gevoeld dan de aanmoediging om overspeligen te stenigen, om even een dwarsstraat te noemen. 

Bovenstaande gedachten en andere fladderende hersenspinsels kwamen als vanzelf bovendrijven toen ik enkele weken terug een gesprek had met een jong echtpaar waar ik in Ecuador bij verbleef.
"We zijn op God aan het wachten," was het antwoord op mijn vraag wat hun volgende stap was. Mijn nieuwe vrienden hadden met veel passie uit de doeken gedaan wat ze graag met hun leven, hun talenten, gaven en passies wilden doen. Het klonk allemaal realistisch en in principe haalbaar en ik werd er lichtelijk enthousiast over. Het antwoord op mijn vraag klinkt best wel geestelijk en spreekt van een vertrouwen op God dat voorbeeldig is. Wat houdt dat wachten dan precies in? Wel, in vrijwel 99% van dit soort situaties staat het gelijk aan "mijn portemonnee is leeg en die moet eerst gevuld worden." Ik kom al ruim 20 jaar een of meerdere keren per jaar in Latijns America en dit is zo'n beetje het standaard antwoord: "I am waiting on the Lord." Op mijn vervolgvraag "bedoel je te zeggen dat je geen geld hebt?," krijg ik dan de reactie: "ja, zo zou je het ook kunnen zeggen."

 Als de kerk geeft zou dat zo min mogelijk aan zichzelf, of de instandhouding van zichzelf moeten zijn. De uitbreiding van die kerk middels het handen en voeten geven aan het Goede Nieuws in alle mogelijke vormen binnen het Woord en Daad continuüm, zou haar prioriteit moeten zijn. Voor de meeste kerken is de uitbreiding van die kerk (op die plaatsen waar nog geen kerk is) echter een sluitpost op de begroting (als het al op de begroting staat). De kerk is erin geslaagd binnen de opdracht om Christus liefde uit te dragen een eigen verdienmodel te creëren.

Een kerk waar ik bijzonder trots op ben is mijn "eigen" kerk (De Brandaris). In 1978 (toen Martha en ik er bij kwamen) nog een kleine groep die in een huiskamer bijeenkwam. Nu een middelgrote kerk ik Rotterdam van waaruit andere kerken zijn ontstaan (De Terp in Capelle ad IJssel en de Driehoek in Bleiswijk). Waar ik enthousiast over ben is de filosofie die nuchter en gezond klinkt en waar je maar moeilijk "tegen" kunt zijn: De kerk bestaat om te investeren in haar uitbreiding (wel erg kort door de bocht). Niemand ontvangt een salaris. Iedereen is vrijwilliger. De collectes die op zondagen worden opgehaald gaan naar wat we Zending en Evangelisatie noemen. Een onderdeel van de filosofie is ook dat als je met enkele honderden gelovigen bij elkaar bent je alle gaven en bekwaamheden in huis hebt om die groep te onderhouden en te doen groeien. Ik zeg wel eens tegen collega's die vragen hebben over dit afwijkende kerkmodel dat als iemand zich in de Brandaris geroepen voelt om dominee, kerkelijk werker of wat dan ook te worden, we deze persoon wegsturen (zenden) - de wereld in om die roeping gestalte te geven op die plekken waar het nodig is.

Ik ben eigenlijk nu alweer vergeten waarom ik deze blog ook al weer ging schrijven. Noem het maar gedachteflarden die losjes met elkaar zijn verbonden.
O ja, ik heb hem weer: Mijn nieuwe vrienden kunnen niet gaan en dat achtervolgt mij al drie weken. Helaas is de gemiddelde kerk in Latijns Amerika ook meer geïnteresseerd in de uitbreiding van het zelf (in beperkte zin) dat vaak ten koste gaat van andere bestaande (levende) kerken. Laten we wel wezen, ook de meeste nieuwe evangelische clubjes die in Nederland uit de grond schieten zijn feitelijk niets anders dan vluchtelingenkampen met de illusie van groener en sappiger gras. En groen en sappig gras vraagt om meer plaatselijke room terwijl we, althans verhoudingsgewijs, al omkomen in de melk (halfvol, vol, mager, bio, houdbaar, karne en daarvan afgeleiden; een onzinnige luxe.

Hartelijke groet, Een zeer bevoorrecht en gezegend mens met een trouwe vriendenkring en kerk die mij al meer dan dertig jaar in staat stelt om mijn werk te doen.

* Indulgentia of "aflaat" is de kwijtschelding voor God van tijdelijke straffen (penitentie) voor zonden die, wat de schuld betreft, reeds vergeven werden.

15 juni 2018

Klemzitten in het leven

Of de stoelen worden steeds smaller, of mijn schouders worden breder. Ik ben de twee opties aan het overwegen terwijl de een na de andere passagier, omhangen met en omgeven door een halve verhuiswagen aan spullen, zijn en haar weg zoekt naar het rijtje waarin zich de hem en haar toegewezen stoel bevindt. Met stoïcijnse blikken, gericht op een vast punt achterin het vliegtuig, of starend naar de instapkaart (alsof het daarop afgedrukte stoelnummer onverwachts zou kunnen verspringen) wordt een deel van de spullen die ze voor, op, boven, achter en naast hun lichaam hebben gehangen aan mijn schouder afgeveegd. De overhellende schouder vormt een irritant obstakel. Ik kan echter niet verder de andere kant op leunen. Ik hel wat extra het gangpad in zodat sommige passagiers vast komen te zitten tussen mijn schouder en die van mijn buur aan de andere kant van het gangpad; ik zal ze leren! Altijd spannend wie het eerst sorry zegt.

Les: volgende keer toch maar weer bij het raam zitten en niet aan het gangpad.
Mijn directe buurman zal de komende dertien uur geen moment stilzitten en om de twee minuten luid zuchten. Een zuchten dat de wens verbergt dat iemand hem naar zijn reizerij gaat vragen en hem de gelegenheid geeft om uitvoerig te vertellen over ongemakken die hij heeft moeten doorstaan, hoe erg het reizen is en wat slaaptekort met je doet. Ik geef niet toe aan de bijna onweerstaanbare drang om hem een opening te geven en houd dertien uur mijn kaken op elkaar.
Het is gek hoe de beleving van dertien uur in de lucht ervaren wordt als zeer traag verlopende tijd. De wijzers zijn niet vooruit te branden. Er zal wel een relatie bestaan tussen nietsdoen en tijdsbeleving. Het gekke is dat als je die tijd in de lucht later samenvat, je er maar weinig van kunt herinneren. Alleen dat het lang duurde en er niets gebeurde. Zet daartegenover dertien uur waarin je extrreem productief bezig bent, verschillende dingen onderneemt en tal van mensen ontmoet. Die tijd vliegt voorbij en je hebt een uur nodig om een samenvatting te geven. de samenvatting van dertien uur in een vliegtuig waarbij je vrijwel niets doet is in twee zinnen klaar.

Ik dacht aan de beleving, de verspilling en het gebruik van tijd toen Joseph Roth in zijn Radetzkymars de volgende observatie over de hoofdpersoon neerpende: "Het leven scheen sneller te gaan dan de gedachten. En voor hij een besluit genomen had was hij een oude man."
Steeds minder vaak leef ik alsof ik nog een heel leven voor me heb. Statistich gezien heb ik 70% opgemaakt en ben me steeds meer bewust van hoeveel tijd ik weg heb laten lekken en ben nog aan het besluiten of ik spijt  moet hebben van die lekkage's of niet.
Het is een vreemde gewaarwording te beseffen dat we een klein deel van ons leven bezig zijn met het onszelf omhangen met allerlei hinderlijke en vooral onnodige bagage. Het meeste daarvan is ongewenst en ongewild; het is ons omhangen door anderen en omstandigheden. Vaak is de mens zich er niet eens van bewust dat het uitsteekt en zichzelf en anderen belemmert. Ik heb het dan over die bagage die ons in de weg zit, ons klem zet tussen ons bekenden en onbekenden en een vrije doorgang belet.
We leggen onze levensreis af mèt die bagage waarvan we ons wel of niet bewust zijn. Misschien dat zij die zich er niet bewust van zijn er de minste hinder van ondervinden en het beste af zijn. Zij die zich er wel bewust van zijn, zijn een belangrijk deel van hun leven (vaak tot aan het eind) toe bezig om te begrijpen waar het vandaan komt en er vanaf te geraken en dat kan gerust een obsessie worden.
Wellicht is de meeste gezonde optie wel van allebei een beetje. Èn stoicijns èn bewust. Ik weet het niet goed en wil er ook niet te lang over nadenken met statistisch nog 30% energie in de batterij.

4 juni 2018

God lijkt toch wel heel ver weg.

Ja, God is ver weg en doet wat Hij wil. Dat is best wel heftig. Ik heb liever een God dichtbij dus maak ik er een van iets waarvan wij vinden dat het kostbaar of zelfdzaam is. Zilver, of goud. Misschien wel platinum.
Kijk nou, die God lijkt op een mens. Oren, neus, mond, handen. Maar geen zintuigen. Het lijkt op iets maar doet niet wat dat iets normaliter wel doet.

Toch lijkt de mens een God te verkiezen die naar eigen beeld en inzicht is gecreëerd; "Mijn God is niet, of wel, zo." Het referentiekader voor een beeld van God is het zelf van de mens of het beeld dat ons wordt opgedrongen en verkocht door invloedrijke mannen en vrouwen die het goed doen op tv of in boeken.
Bron
Dogma's zijn als gewapend beton. Eenmaal uitgehard kan het alleen met grof geweld gesloopt worden. En dat is een enge gedachte omdat er niets overblijft waar je iets aan kunt hangen.
Het is wel aantrekkelijk om met een god te leven die je in je broekzak of handtas mee kunt sjouwen. Problemen ontstaan als die god het op de lange duur niet meer doet. Want wat moet je dan.

De dichter van de honderdvijftiende psalm probeert het nieuws dan ook niet te verzachten: God is ver weg en doet wat Hij wil. Een kort zinnetje dat misschien helpt te begrijpen waarom het tweede van de de tien geboden de mens verbiedt om een (gesneden) beeld van God te maken. Geen enkel beeld doet recht aan het mysterie. Elke poging om Hem in een beeld te vangen schiet tekort. De beelden die we van God hebben laten slechts aspecten zien. God overstijgt ieder beeld en alle beelden samen.

Misschien is dat wel geloof. Jezelf toestaan om te geloven in de onzienbare, de ontastbare; Hij die ver weg is en zich niet laat vangen in woorden, beelden of gedachten. Hij die trouw is en het werk dat hij begon, af zal maken.
Het enige houvast dat je daarbij hebt is dat ergens ver weg, in de diepste diepte Hij de meest aanwezige is.

Het verhaal stopt hier niet. God heeft een gezicht gekregen. Jezus Christus toont ons God en het dogma wil dat in Hem alle dillema's, paradoxen en mysteries opgelost zijn en het ontastbare, verre van God samenvalt met het tastbare en nabije. Maar het geloof is geen rekensom, al doen sommigen het voorkomen dat het echt net zo simpel is als één plus één twee is. Dat laatste is alleen maar simpel als het om twee gelijkwaardige en identieke zaken gaat. Het "probleem" met het geloof is dat het nooit gaat om identieke eenheden. Het is altijd ingewikkelder en de werkelijkheid weerbarstiger.

Gedachten bij Psalm 115