3 augustus 2020

Sta je daar toch met een mond vol tanden..

Met mijn vulpen in de aanslag staar ik naar het lege vel papier dat voor me ligt. Ik probeer woorden te vinden waar de vrouw van een goede vriend die onlangs is gestorven, misschien iets mee zou kunnen. Moeten dat dan troostende woorden zijn? Of bemoedigende? Moet het gaan over wat ik voel, vind en beleef of moet ik me proberen in haar situatie te verplaatsen? Of moet het juist over hem gaan? Of over God? Of gewoon lekker abstract houden zoals "hij is nu op een betere plek," of "hij heeft nu geen pijn meer," of wat dan ook met een dergelijke strekking?
Wat ik ook bedenk, het klinkt allemaal leeg en gekunsteld.
Het vel blijft leeg. Misschien lukt het morgen.

Naarmate ik ouder word, heb ik makkelijker vrede met een leeg vel. In die zin inspireren de drie vrienden van Job me wel die, nadat ze van Jobs rampspoed hebben gehoord, besluiten om hem op te zoeken om hun medeleven te betuigen en hem te troosten.
Ze beginnen goed: "Zeven dagen en nachten bleven ze naast hem op de grond zitten zonder iets tegen hem te zeggen, want ze zagen hoe vreselijk hij leed (2:13)". 
Da's een leeg vel. Een veelzeggend vel.
Wat ze vervolgens allemaal te zeggen hebben lijkt niet veel meer dan een kladje met een boel vlekken.
De mens rest niets anders dan toch die pen ter hand te vatten. Maar achter de woorden die volgen moet de gedeelde leegte tastbaar zijn. Een gedeelde smart maakt de smart van hem of haar die het zwaarste deel torst ietsiepietsie dragelijker.
Steeds vaker sta ik met een mond vol tanden.
Die brief? Die komt wel.

24 juli 2020

God van de leg

Het beeld van een God met een kort lontje die bij het minste en geringste van de leg raakt, in toorn ontbrandt, vuur en zwavel over Jan en alleman uitstrooit totdat die woede bekoelt, is hardnekkig en redelijk prominent aanwezig in de Bijbel. Daar hoef je echt geen geleerde voor te zijn. Die geleerden zijn er om dat beeld weg te poetsen (zij die voor hem zijn) of juist te benadrukken en versterken (zij die tegen hem zijn).

In het boek Job wordt tegen het eind een nieuwe speler opgevoerd die zicht voorstelt als een tamelijk jong persoon die uit beleefdheid en respect tot nu toe z’n mond heeft gehouden en zich voelt als jonge wijn die niet kan ademen en met een buik als een volle wijnzak die bijna openbarst. De kurk gaat eraf en Elihu mag zes hoofdstukken lang ademen en openbarsten. Elihu is een beetje een opschepper die Job en z’n vrienden de les leest en daarmee feitelijk niet onderdoet voor de manier waarop Job en zijn vrienden elkaar voor rotte vis, lege woorden sprekers, zwetsers, dwazen en dergelijke om de oren slaan.

“Ik denk, ik vind, ik weet, God is dit, God is dat…”; ze geven allemaal vol gas zonder rem te beroeren.

Het probleem is en blijft dat de mens niet anders kan dan zich God voorstellen als een twee-, of driedimensionaal persoon en hem dezelfde eigenschappen toekennen als de mens. Met deze platte God komen we echter niet veel verder. Elihu doet een retorische poging om van dat beeld af te stappen: "Wordt God koud of warm van als de mens zondigt of wanneer je hem een handje vol goede daden als cadeautje aanbiedt?" Het verwachte antwoord van een weldenkend mens hierop zou (kunnen) zijn: “wel, als dat Hem allemaal iets zou doen zoals het ons aardlingen iets doet, doen we Hem waarschijnlijk tekort. Is God immers niet meer dan de mens?”

Puntje voor Elihu (mag ik ook iets vinden..?) Nee, zegt Elihu, “je goddeloosheid raakt mensen als jezelf, je rechtvaardigheid helpt anderen.” Ware godsdienst lijkt zich dus af te spelen op het horizontale speelveld van de aardlingen en is een vertaling van de horizontale relatie met de Eeuwige. Daarom is een boek als Job van belang. Het voorziet de zoektocht van de mens om God te duiden van de noodzakelijke brandstof en is een inleiding op de voortdurende dialoog hierover.

Het plussen en minnen waarbij de mens zich inspant om een denkbeeldige balans te verkrijgen en in stand te houden; God niet te boos of te blij te maken, is een zinloze bezigheid en leidt slechts tot onzekerheid, twijfel en angst. En als  mijn hart daar vol van is, zal zich dat vertalen naar mijn verhouding met mezelf, mijn medemens, de aarde en uiteraard God.

Ondanks z’n opschepperij ziet Elihu ook wel dat hij het vraagstuk niet kan oplossen: “als Job nu eens een pleitbezorger had, een die zijn voorspraak is, één uit duizenden”?

Voor zover ik weet en begrijp is die pleitbezorger er ook. Niet alleen voor Job, maar voor iedereen.

19 juli 2020

Help: ik word niet vervolgd!

Gisteren at ik met Ali bij de Ethiopiër aan het Hudsonplein. Ali komt uit Iran. Zijn visum verloopt vandaag. Een speciaal visum; hij woont en werkt al vijf jaar in Schengenlanden middels een vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). Ali is slim en werkt in de IT. Werkte, moet ik zeggen. Covid-19 betekende het einde van zijn contract waarbij automatisch de bijzondere vergunning verloopt.

Morgen gaat Ali naar het AZC in Ter Apel. Na vijf jaar werken in Schengen, premies en belastingen te hebben betaald en effectief te hebben bijgedragen aan onze Europese welvaart is hij met ingang van vandaag asielzoeker en moet hij door de bureaucratische molen. Uiteindelijk zal iemand beslissen of Ali wel of niet terug moet/kan naar Iran.

Wat is Ali’s probleem? Een jaar geleden heeft hij het besluit genomen om Christus te volgen. Dat weten ze inmiddels wel in Iran. Je hoeft zijn naam maar in een zoekmachine in te voeren en de eerste hit is een link naar zijn doop. Het is algemeen bekend dat de Iraanse overheid daar niet meteen een fles champagne bij opentrekt. Integendeel. Iran staat in de top tien van een totaal van 73 landen waar christenen worden vervolgd om hun geloof. Ali neemt de juiste stap om hier asiel aan te vragen.

In de beginjaren van mijn geloofsreis heb ik me regelmatig afgevraagd of ik die reis eigenlijk wel goed aflegde. Ik werd namelijk niet vervolgd en vervolging was volgens sommige bijbelleraars het bewijs dat je een waarachtige volgeling van Christus bent. Dat heeft Hij immers zelf gezegd. Bijvoorbeeld in Johannes 15: “Als ze mij vervolgd hebben zullen ze ook u vervolgen.”

Niet alleen individuele gelovigen maar ook landen zoals Nederland en Engeland werden naast economische belangen, pure expansiedrift en hebzucht ook door deze Bijbelse gedachte gemotiveerd. Zozeer zelfs dat tegenstand gezien werd als een bevestiging van God dat ze het juiste deden. Geïnspireerd en aangemoedigd door hun theologen hebben bijvoorbeeld Afrikaners lange tijd geloofd dat ze “scheppers van een nieuw volk, een ander Israël waren, een paradijs dat God voor hen had bestemd,” en “een natie die hen toekomt omdat zij ons gegeven is door de architect van het universum.” (1)

Alec Ryrie schrijft hierover in zijn boek Protestanten:

Aangezien het martelaarschap de hoogst mogelijke eer voor een christen was, was vervolgd worden paradoxaal genoeg een bewijs van Gods liefde. Deze paradox heeft het christendom een ongelooflijke veerkracht verleend. Hoe harder iemands vijanden hem slaan, hoe sterker zijn overtuigingen worden. Staatsgeweld houdt meestal in dat de staat zijn slachtoffers zo intimideert dat ze zich onderwerpen. De eerste christenen ontdekten echter dat het martelaarschap hun spirituele kracht gaf, en vooral door het feit dat ze werden vervolgd. Het bloed van de martelaren was de spreekwoordelijke voedingsbodem van de kerk (2). 

Zo werd en wordt in de naam van God veel geweld gelegitimeerd. Geweld in Gods naam is echter nooit legitiem. Een leerzaam boek is Niet in Gods naam van Rabbi Jonathan Sacks die hierin ook uitgebreid ingaat op het schijnbaar door God opgedragen geweld in het Oude Testament.

Zo ontstaat een bizarre wereld: regimes, sekten en individuen die menen God een plezier te doen en punten te scoren door andersdenkenden en andersgelovigen te vervolgen of te doden terwijl, in het geval van christenen, de slachtoffers van diezelfde vervolging een bewijs zien van hun eigen zuiverheid en toewijding. 

Het idee dat we met elkaar in dezelfde wereld leven die we met elkaar leefbaar moeten houden lijkt voor menigeen te groot en niet te doen. Hebzucht, de andere het licht in de ogen misgunnen, Wij tegen Zij; ik zou haast de moed opgeven en me terugtrekken in mijn (denkbeeldige) mancave en de boel de boel laten. 

Het antwoord begint echter bij het van je afschudden van die machteloosheid en beginnen waar alle verandering begint: in het eigen hart en in de directe omgeving. We geven ons leven niet aan een regime, ideologie of systeem maar investeren het in de ander.

Het eten was goed! Enige minpuntje is dat mijn Leffe Trippel werd geserveerd in een Bavaria glas.

(1) Protestanten, Alec Ryrie, Hfdst 13)

(2) Ibid. Hfdst 4


10 juli 2020

De kunst van het fileren

Complotdenkers zijn er nooit plotseling. Het vermoeden van een complot begint bij een of meerdere aannames die voortkomen uit een bepaald wereldbeeld. Als dat wereldbeeld eenmaal voldoende houvast heeft gevonden in het denken van de mens, ziet en vindt men  her en der bewijs voor het vermoeden dat vervolgens soepeltjes wordt opgewaardeerd tot een feit. Medestanders worden gevonden en een nieuw "wij en zij" denken is ontstaan. Afhankelijk van de mate van overtuiging en strijdlust gaat men de bressen op, uiteraard met veel liefde en geduld, om de dommen en onwetenden te overtuigen: "ik zie ik zie wat jij niet ziet want je staat aan de verkeerde kant."

Als ik bijvoorbeeld geloof - een geloof dat me gewild en ongewild is opgedrongen door rethorisch begaafde manipulators - dat de wereld bestuurd wordt door een klein goepje stinkend rijke en/of invloedrijke mannen (en misschien een vrouw of twee) dan zal ik daar bewijs voor zien en vinden in het journaal, de krant en, vooral in de moderne tijd, sociale media.

Als ik geloof in de slechtheid van de mens (niemand is rechtvaardig, zelfs niet één; de rechtvaardigheden van de mens zijn als een bezoedeld kleed) en dat die slechtheid wordt bestuurd door een hogere macht (satan, a.k.a. de duivel, de boze, de slang, de vader van de leugen, enz.) dan zal ik al het menselijk handelen daaraan verbinden. Altruisme van weldoeners kan dan niet worden vertrouwd of gewaardeerd en moet worden verbonden aan dat wereldbeeld - de weldoener is niet meer dan een marionet in de hand van de grote leugenaar, zonder dat zelf te hoeven weten.

Onze overheid tracht middels bepaalde maatregelen de verspreiding van het Covid-19 virus in te dammen. Als mijn aanname is dat onze overheid uit is op controle van haar burgers en deze op slinkse wijze haar vrijheden poogt te beperken of zelfs af te nemen, dan haak ik aan bij demonstrerende hordetjes en kom ik in verzet. Ook leer ik vrij vlot om alle maatregelen te interpreteren als verder bewijs voor een bestaand groot globaal complot, onderdeel van de strategie van de rijken en/of de duivel tot alleenheerschappij en  grenzeloze zelfverrijking

Zou het echter mogelijk zijn dat onze overheid bezig is met het treffen van maatregelen waarvan sommige, als we over vijf jaar terugkijken op de Corona periode, gunstig bleken uit te werken en andere wat minder slim, zeg maar dom bleken te zijn?

Hier komt "het scheermes van Hanlon"* om de hoek kijken; een frisse, realistiche en relativerende reflectie op situaties en processen: "Schrijf nooit aan kwade opzet toe wat afdoende verklaard kan worden door domheid." 
De tv-serie "De rijdende rechter" is een treffend voorbeeld. Als de klagers eens zouden stoppen met het zoeken en vinden van bewijs voor kwaad opzet, zou er slechts een mager serietje overblijven. Soms doen de buren gewoon domme dingen en is er geen sprake van een complot. Veel familievetes zouden oplossen als sneeuw voor de zon als men stopt met geloven in een moedwillige strategie tot  vervreemding of uitsluiting (hoewel dat natuurlijk best wel voorkomt). Sommige familieleden zijn gewoon niet slimmer.
Het scherpe scheermes is nodig om te onderscheiden tussen strategie en domheid.

Veel christenen geloven ook in een complot waarbij zij degenen zijn (althans, zij die het zien) die dat complot een halt toe kunnen roepen door (een bepaalde versie van) De Waarheid te proclameren. Hierbij wordt de grote duivel behoorlijk wat macht en invloed toegeschreven. De grote leugenaar a.k.a. de Briesende Leeuw, is er voortdurend op uit om het plan van God te dwarsbomen en de gelovigen pootje te haken.
Daarbij meent men de Bijbel zuiver te lezen en te interpreteren zonder in de gaten te hebben dat men bij het lezen en het interpreteren ook al begint met bepaalde aannames.
Waarom ik hier een wat wee gevoel bij krijg is dat ik al die tijd heb gedacht dat Christus aan het kruis de boze heeft overwonnen.
Maar ja, dat is misschien wel een verkeerde aanname.


* Wikipedia:
Het scheermes van Hanlon (of Hanlons scheermes) luidt:

"Never attribute to malice what can be adequately explained by stupidity"
Vertaling: "Schrijf nooit aan kwade opzet toe wat afdoende verklaard kan worden door domheid."
Waar de term vandaan komt, is niet bekend; een vergelijkbaar epigram wordt onder andere toegeschreven aan William James Laidley. Een mogelijke oorsprong is de gelijkenis met Ockhams scheermes. De website Status-Q schrijft het toe aan Robert J. Hanlon, die het kennelijk bijdroeg aan een boek over de Wet van Murphy.

4 juli 2020

Het weursjip trauma van 2009

Eigenlijk had ik het aan moeten zien komen maar er was in eerste instantie geen alarmbelletje afgegaan. De professor systematische theologie vroeg ons, de studenten, welke auteurs we zoal beliefden. Ik meldde "Oden". Pas later realiseerde ik me dat de prof allergisch was voor Oden. Niet openlijk, maar door te zwijgen en door het zenuwtrekje in z'n oog dat bij het horen van de naam Oden leidde tot een oprisping van het ooglid; een soort van kort bibbertje. 
Tja, waarom Oden? Kan het me niet goed herinneren. Was waarschijnlijk een aanbieding of omdat het op Ouden lijkt? Ik heb ook Erickson, Grudhem,Verleg en zelfs Berkhof (om me ervoor te behoeden teveel af te dwalen van de rechte reformatorische leer).
Het, naar later bleek, meest populaire jongetje van deze klas, bleek het juiste antwoord te hebben: Grudhem! De prof kon zijn vreugde nauwelijks verbergen; amper begonnen aan 30 lesuren en deze jongen begreep het al. "Waarom Grudhem?", vroeg de prof. "Grudhem is meer "weursjippie", was het antwoord. "Weursjippie, inderdaad!". De prof maakte een vreugdedansje.
Het slimste jongetje van de klas kreeg aan het eind de hoogst mogelijke beoordeling. Een A+. Ik moest het met een C- doen. En wel om het volgende:

Een van de "papers" die we moesten produceren was "het belang en de betekenis van de zeven woorden (uitspraken) van Jezus aan het kruis."
De Bijbel op deze manier benaderen is typerend voor een bepaalde school van denken en interpreteren binnen het christendom waarbij het geloof in God allereerst gereduceerd wordt tot één woord waaraan alles (en iedereen) wordt gemeten: "weursjip." Vervolgens wijst alles wat geschreven is naar maar één ding: weursjip.
In dit geval moet je de uitspraken van Jezus die de vier evangelisten in hun respectievelijke versies van het Evangelie opvoeren, bij elkaar optellen om tot een totaal van zeven uitspraken te komen.

In mijn "paper" voerde ik redenen aan dat de Bijbel geen wiskundeboek is en dat het best wel eenzijdig en zelfs gevaarlijk is om het vanuit één kijkhoek te benaderen. Daar was de prof niet blij mee. Dat wilde hij niet horen en droeg mij op om mijn "paper" wat te verdiepen door een verbinding te leggen tussen de zeven uitspraken van Jezus en de zeven scheppingsdagen. Eerst wilde ik een gat in mijn paper boren en er, ter verdieping een gekleurd velletje achter plakken. Niet gedaan, zou flauw zijn en een beetje doorzichtig. Wat ik toen geschreven heb noopte de prof echter om met rood in de kantlijn te schrijven: "Jan, ik wil je aanmoedigen om je positie in gebed te heroverwegen". 
Ik kan me niet herinneren of ik God heb gevraagd of Hij me alsjeblieft wilde helpen om "het" te zien zoals de prof "het" zag, maar ik denk het niet.

De betreffende prof is het jaar daarop ontslagen wegens een te grote nadruk op een bepaalde "geloofsschool" (die van de weursjip - alles draait om weursjip). Nu is een bepaalde nadruk niet erg. Die heeft iedereen maar als je de professionaliteit niet kan opbrengen om ruimte te laten voor andere interpretaties, dan heb je een verkeerd vak gekozen.

Er zijn er niet weinigen die helemaal opgewonden raken van cijfers, nummers, jaartallen, jaren, dagen, uren, maanden, tellen en seizoenen die in Bijbel voorkomen. Het zal allemaal wel iets te betekenen hebben maar ik kan er niet echt van in extase raken. Voordat je het weet ga ik uitspraken doen zoals "ik geloof dat Jezus terugkomt en dat dit ergens in de komende vijftien jaar gaat gebeuren". HOU ME TEGEN!

Ik liep net terug van de supermarkt waar ik een knabbeltje kocht voor vanavond en moest weer denken aan dit trauma dat ik in 2009 opliep. Het feit dat ik er nog regelmatig aan denk en de betreffende prof af en toe zelfs Google (en hem iets kleins toewens),  toont dat het misschien wel makkelijk is luidkeels "let it go" (ja, die uit Frozen) te zingen maar om het dan ook te doen?? Het is echt geen kwestie van een knop omzetten. Ik denk wel eens dat ik, naarmate ik ouder word, steeds verknipter raak.

Nu hoop ik natuurlijk dat U, beminde lezer, nu denkt van "Jan, je hebt helemaal gelijk, wat zie je heerlijk scherp". Op dat verknipte na, uiteraard. 

28 juni 2020

Het gefluister Gods

Iemand zei iets over God op JijKanaal. Reacties zijn lovend: "Eindelijk iemand die zegt wat ik altijd al vond en dacht; ik ga je volgen. Blijf doorgaan met dit goede werk. De waarheid moet verteld worden." Deze reactie staat model voor een interessant fenomeen.

De sociaal mediaconsument zoekt dat op wat hij/zij wil horen of zien. Eenmaal gevonden bevestigt en versterkt het zijn/haar ideeën over de wereld, de mens, de politiek, God en wat dies meer zij: er zijn anderen die net zo denken als ik dus moet ik wel gelijk hebben.
De sociale media dragen bij aan het terugdringen van het vermogen van de mens om kritisch te denken en om te gaan met tegenstellingen. In plaats van een gedegen weerwoord te formuleren lijkt polarisatie al wat de klok slaat. Tegenstellingen worden uitvergroot, resulterend in een versterkt "wij en zij" denken dat vervolgens weer aanleiding is voor her en der oplaaiende brandjes en branden.
Niet helemaal nieuw natuurlijk want het fenomeen bestond ook al bij de oude en traditionele media; het vraagt durf om een boek te lezen waarvan je weet dat het niet per se jouw ideeën verwoordt. 

Grote woorden over God. Ik heb ze gehoord en zal ze blijven horen. Het liefst zoek ik aansluiting bij de grote woorden die weergeven wat ik voel, vind of denk. Da's de veiligste optie en verkleint de kans op verwarring in mijn denken. Dat laatste kan ik niet gebruiken naast alle verwarring die het leven in z'n algemeenheid al op m'n bordje presenteert, dus laat alsjeblieft mijn beeld van God intact.
Lezend en peinzend over het boek Job dringt het tot me door dat dit precies is wat Job's vrienden doen. Ze spreken grote woorden over God en over Job. Die grote woorden maken God nog onbereikbaarder dan Hij al is en zetten Job op zijn plek naast de maden en de mieren; de afstand tussen hen zo groot dat overbruggen een illusie is. Het gesprek tussen Job en zijn vrienden ontaardt op geregelde tijden in moddergevechten waarbij ze niet schromen elkaar voor rotte vis uit te maken.
Dan zegt Job iets opvallends dat alles in een perspectief plaatst waardoor een constructieve dialoog weer mogelijk wordt: "... wij vangen van Zijn woorden slechts gefluister op (26:14)."

In 1978 besloot ik Jezus te gaan volgen en deze zomer heb ik er 42 jaar volgelingschap op zitten. Ik heb grote woorden gehoord, omarmd, (luid) gesproken en geclaimd om uiteindelijk te ontdekken dat God daarin niet te vinden is. Waar ik Hem vind is in het gefluister, op een plek waar alle stemmen verstommen en alle beelden vervagen. Zonder die verstomming en vervaging kan ik Hem niet vinden: teveel lawaai en schreeuwende kleuren.

Hier een link naar mijn youtube clip (ja, ja): Het gefluister Gods



18 juni 2020

Tante Eva moet dood!

Iedereen in de familie weet dat tante Eva de oorzaak is geweest van een heleboel ellende. Ze zette familieleden tegen elkaar op en kreeg het zelfs voor elkaar ze zover uiteen te drijven dat zelfs broers en zussen elkaar niet meer wilden zien, laat staan spreken. Naar verluidt deed tante Eva zelf natuurlijk nooit iets. Het was altijd de ander. Zij kwam slechts voor haar rechten als slachtoffer op en, nog veel belangrijker, het belang en welzijn van anderen.

Zelf heb ik tante Eva nooit in levende lijve ontmoet. Ze houdt zich op in de schaduwen van het bestaan van waaruit ze opereert. Een prikje hier, een suggestie daar plus een zakje twijfelzaad bij de jaarlijkse kerstgroet. Ook werkt ze nauw samen met oom Evert.

Het vreemde is dat iedereen in de familie van haar bestaan afweet maar niemand het lef heeft om over haar te praten en het gif dat ze verspreidt te noemen wat het is: gif. We praten liever om haar heen zodat we niet hoeven te praten over waar het echt om gaat.

Ik denk dat de reden voor het niet noemen van tante Eva gelegen is in het feit dat wat ze doet zo lekker aansluit op mijn gevoel van eigen gelijk. Het gevaar is dat, als tante Eva het onderwerp van het gesprek wordt, de deelnemers aan dat gesprek zich gaandeweg onprettiger gaan voelen; het eigen gelijk blijkt een flinke dosis ongelijk te bevatten. En wie wil nou erkennen dat slachtofferschap en daderschap zomaar ik elkaars verlengde kunnen liggen. 
De idealistische strijder tegen onrecht kan zich zomaar ontpoppen als een wrede, niets en niemand ontziende demagoog wanneer hij de ruimte van de onrecht vertegenwoordigende en nu gewipte heerser inneemt. De geschiedenisboeken spreken hier voor zich. Ik zou dat uiteraard natuurlijk nooit doen.

Als familie hebben we onlangs de koe bij de horens gevat en het besluit genomen om tante Eva en elke herinnering aan haar bestaan uit te vagen. Fotoalbums zijn ontdaan van beeltenissen van tante en we hebben haar naam door laten halen in het bevolkingsregister. Wat ons betreft heeft tante Eva nooit bestaan en hoeven we het noemen van haar naam niet langer angstvallig te vermijden. Tante Eva? Nooit van gehoord. Tante Eva? Slechts een mythe.

Tot onze ontsteltenis is er vorige week iets in de familie gebeurd wat niemand had verwacht. We hadden ons zo verheugd op een leven vol pais en vree waarin we allemaal gelijk zijn en niemand wordt voor- of achter getrokken. Nu blijkt dat er een verre neef is die overduidelijk de genen van tante Eva heeft geërfd. Maar nog erger was dat bij het laatste familieberaad en tijdens een zeldzaam moment van eerlijkheid en zwakte, we allemaal erkenden dat (iets van) tante Eva in ons leeft.

Iedereen huilen natuurlijk maar ik dacht bij mezelf dat die ontdekking eigenlijk helemaal zo slecht niet was. Een leefbare wereld begint pas bij dit besef: tante Eva, dat ben ik.