12 december 2019

Het juiste doen op de juiste plek: Coaching en Zending

Hoe coaching een bijdrage kan leveren in het evalueren en doordenken van de opdracht om leerlingen van Jezus te maken.


Een groep volgelingen van Christus die regelmatig bij elkaar komt, laten we het "kerk"(*) noemen, ziet zich vroeger of later en bij herhaling geconfronteerd  met de vraag hoe ze de opdracht van Christus aan zijn discipelen om "de wereld in te gaan en alle volken tot zijn leerlingen te maken" handen en voeten geeft. De kerk neemt deze opdracht serieus omdat ze begrijpt dat God zichzelf door die kerk aan de wereld bekend wil maken. Sommige kerken dragen een jaarlijks quotum af dat vervolgens door een overkoepelend orgaan wordt aangewend om activiteiten rondom de uitvoering van deze opdracht te bekostigen. Vrijwel alle kerken halen de opdracht dichter naar zich toe zodat deze een “gezicht” krijgt. De betrokkenheid tussen de kerkleden en de “uitgezondene” zou daarmee vergroot worden.

De termen "zending en evangelisatie" worden over het algemeen gebruikt om deze naar buiten toe gerichte activiteiten te duiden. Een kerk heeft een zendingsbeleid en over het algemeen ook een zendingsbudget. Sommige kerken kennen een vastgesteld percentage van de opbrengsten uit collectes aan deze begroting toe. Anderen kiezen voor een lossere ad hoc benadering. Regelmatige en incidentele speciale collectes vullen de begroting aan of worden aangewend om een acute nood te helpen lenigen.

Omdat deze "uitgezondenen en evangelisten" voor hun levensonderhoud doorgaans afhankelijk zijn van de vrijgevigheid van geloofsgenoten of de kerk als collectief is de ondersteuning van deze werkers een belangrijke kostenpost. Maar wat onderscheidt de gelovige die "apart is gezet om het werk van de Heer te doen" nu van de kerkleden John en Anita die tegen betaling van een keurig salaris een overeengekomen aantal uren per week een tegenprestatie leveren en daarbij hun "eigen" werk doen? Als de gelovigen Zijn getuigen zijn en de opdracht om leerlingen van Christus te maken aan de kerk is gegeven kan het niet bestaan dat de uitvoering ervan exclusief aan hen die "apart zijn gezet" wordt toevertrouwd of uitbesteed. De opdracht, gegeven aan de kerk, betreft dan ook de gehele kerk.

Maar hoe doe je dat? Bestaat dat wel, een kerk die als geheel de opdracht van Christus omarmt waarbij ieder afzonderlijk lid een duidelijke plek inneemt?

Vragen zoals:
  • Is het niet eens tijd om ons huidige zendingsbeleid tegen het licht te houden en zo nodig herzien?
  • Hoe betrekken we de hele kerk bij de uitvoering van de opdracht om leerlingen van Christus te maken?
  • Wat is de plaats van "de zending" in plaats en betekenis van de kerk?
  • Moeten we onderscheid maken tussen plaatselijk en wereldwijd werk?
  • Hoe staat het met de relatie tussen onze kerk en de zendingsorganisatie(s) waar onze leden bij terecht zijn gekomen?

Zomaar een aantal vragen waarbij een extra paar ogen van groot nut zouden kunnen zijn.
De coach gaat een traject met de kerk in met als doel tot een doordachte benadering en praktijk, inclusief actieplan betreffende de leerlingen makende opdtracht te komen.

Uitgangspunt is altijd de vragen die leven in de kerk. De agenda van de coach wordt door de kerk bepaald!
  • Kennismakings- en oriëntatiegesprek waarbij de vragen die leven in kaart worden gebracht.
  • De coach doet een voorstel voor een tijdspad en stappenplan, inclusief het op papier zetten van wederzijdse verwachtingen en verantwoordelijkheden gedurende het proces.
  • De coach navigeert de betrokkenen door het stappenplan.
  • De coach blijft voor een afgesproken periode beschikbaar voor advies, als klankbord en kan betrokken worden bij voortgangsevaluaties.


Wat moet ik me voorstellen bij het werk van een coach?
De oudsten van “Evangelische Gemeente de Proppenbuis” willen graag de gemeente meenemen in een proces waarbij de opdracht om leerlingen van Christus te maken het hart van de gemeente is. De 250 leden ondersteunen samen vier echtparen, twee alleengaanden en regelmatig vertrekken jongeren om een DTS van Jeugd met een Opdracht te doen, een MDT van Operatie Mobilisatie of andere programma's die bij menen te dragen aan de uitvoering van de opdracht tot het maken van Christus leerlingen. Eén echtpaar zit al 40 jaar “op het veld” en vrijwel niemand in de kerk kent de beste man en/of vrouw nog. De gemeente blijft hen uit een moreel plichtsgevoel ondersteunen. Regelmatig stellen leden hierover vragen en het antwoord troebel.
Tijdens het kennismakingsgesprek helpt de coach onderscheid maken tussen twee zaken. Ten eerste is er het verlangen van de kerkleiding om "zending" in het hart van de gemeente te zien. Het tweede vraagstuk is die van de relatie met bestaande zendelingen. Besloten wordt om te focussen op vraagstuk 1. Er bestaat een grote kans dat gedurende het proces een benadering van het tweede vraagstuk zich vanzelf aandient.Ook wordt tijdens het gesprek duidelijk dat de oudsten allemaal een ander idee en beeld hebben bij "zending". Helder is dat als we de gemeente mee willen nemen in een proces we met elkaar vanaf eenzelfde uitgangspositie zullen moeten werken. Actiepunt één is dan ook om met elkaar tot overeenstemming te komen welk plaatje we gaan gebruiken.
Een zorg, door enkele leiders geuit, is dat er een te grote afstand lijkt te zijn tussen de apart gezette werkers die ver weg en full time aan de slag zijn enerzijds, en het hard werkende, carrière makende gemeentelid, terwijl de opdracht toch de hele kerk aangaat?
De leiders krijgen de opdracht mee om onder woorden te brengen wat zij denken dat een realistische doel is en wat ze zich voorstellen bij "zending het hart van de kerk"; hoe ziet zo’n kerk eruit? Hoe gedragen kerkleden zich? Hoe ziet de zondagsdienst eruit? De begroting?
Tijdens een tweede gesprek wordt helder dat er onder de kerkleiding best wel verschillende ideeën leven die soms ver uit elkaar staan. De coach zal met een voorstel komen waarbij men aan de slag gaat met een overeengekomen definitie. Interactie vindt tussentijds plaats via de mail en we lijken al snel tot een gemeenschappelijk beeld en taalgebruik te komen. De coach doet een voorstel voor een traject dat de verschillende disciplines van het kerkleven omvat.

Bestaande relaties met zendingswerkers
Een apart hoofdstuk is hoe de kerk op een gezonde manier kan omgaan met bestaande relaties met de verschillende werkers. Hierin kan coaching ook helpen om perspectief te creëren waarbij de bestaande praktijk en filosofie aangaande het uitzenden en onderhouden van relaties met de werker tegen het licht wordt gehouden en zo nodig bijgesteld of herzien.

Bij het uitzenden van werkers via een organisatie is het niet vanzelfsprekend dat alle partijen helder voor ogen hebben hoe de verschillende partijen zich tot elkaar verhouden. Er zijn uitgesproken en onuitgesproken verwachtingen die niet of slechts in zekere mate uitkomen. De kerk kan er zomaar van uitgaan dat, omdat de werkers een contract aangaan met de organisatie, deze organisatie garant staat voor het nakomen van verplichtingen zoals deze bij wet geregeld zijn en andere zaken zoals interne opleiding, persoonlijker en professionele ontwikkeling en, niet geheel onbelangrijk, voorziet in de juiste zorg die een optimaal functioneren beoogt.

De werker heeft aan verplichtingen en verwachtingen naar zowel de zendende kerk en de organisatie te voldoen. De zendende kerk delegeert haar aandeel vaak aan een thuisfrontteam dat de meest voor de hand liggende taken binnen dat team verdeelt en de vinger aan de pols houdt met betrekking tot financiën, gebed, morele steun en communicatie.

Omdat de werker een arbeidsovereenkomst met de organisatie heeft, nemen kerken gewoonlijk wat afstand als het om jaarlijkse evaluaties, proeftermijnen en duur van het contract gaat. De kerk die veelal als sponsor fungeert (veel organisatie eisen dat de werker een officiële zendende kerk achter zich heeft staan) voelt die afstand best wel maar stelt niet al te veel vragen. De verhouding kerk, werker en organisatie bestaat bij gratie van het vertrouwen dat men in elkaar heeft.

De werker bevindt zich veelal in een soort schemergebied. Zij weet zich door God geroepen en wil slechts Hem gehoorzamen. De kerk bevestigt door te zenden, de organisatie bevestigt door te faciliteren en de werker koppelt regelmatig aan betrokken partijen terug om verantwoording af te leggen van het werk dat zij, bij de gratie en overeenkomstig de roeping Gods, mag doen. De veelal positieve rapportage van de werker kan niets anders dan een groen licht opleveren: ga zo door.

Deze verdeling van “macht” over meerdere partijen: kerk, organisatie, TFT, en werker (ja, ook de werker heeft macht want heeft immers de roepingskaart in handen), resulteert in het eerdergenoemde schemergebied. Dat schemergebied is het gevolg van onduidelijke grenzen en wederzijdse verwachtingen, aannames en het onvoldoende zicht hebben op wat de werker doet waarbij meetinstrumenten om blijvende effectiviteit te “meten” categorisch ontbreken. Hoewel het vertrouwen in de werker groot is, kan de werker in zeker zin deels oplossen en zelfs comfortabel leven in die schemer:
  • De kerk neemt aan dat de organisatie haar werk doet. Is die aanname juist? Heeft de kerk een helder zicht op wat "haar werk" is en eventuele hiaten vast kunnen stellen?
  • De beslissing om het veld te verlaten of te blijven ligt vrijwel altijd bij de werker. Heeft dat de voorkeur of moet de kerk hierin een duidelijker stem hebben? Of is het iets tussen de werker en de organisatie.
  • De kerk ondersteunt een werker die al 30 of 40 jaar uitgezonden is. Vrijwel niemand van de huidige generatie kerkleden kent de werker. Ook zijn er toentertijd geen duidelijke afspraken gemaakt betreffende termijnen en evaluaties. Wanneer is de werker klaar, of de kerk "klaar met zenden"? Is deze situatie waarin het gevoel bestaat "tot elkaar veroordeeld te zijn" wenselijk?
  • De organisatie heeft geen duidelijk beleid en proces met betrekking tot het "ontslaan" van werkers. De werker voldoet niet maar kan niet worden ontslagen omdat er in veel gevallen wettelijk onvoldoende reden voor ontslag bestaat.

Deze en andere vragen geven weer waar veel kerken mee worstelen, zonder een uitweg te zien, of een helder beeld te hebben van hoe een actieplan eruit zou kunnen zien dat erop gericht is om de relatie werker, kerk, organisatie en TFT optimaal te zien functioneren: Heldere afspraken en uitgesproken verwachtingen waarbij regelmatige evaluaties een cruciaal rol spelen en er aandacht wordt gegeven aan het zodanig investeren in de werker dat deze bij terugkomst niet wereldvreemd is geworden maar haar ervaring, expertise en training zodanig heeft weten vorm te geven dat er aansluiting is met de wereld buiten de organisatie.

Jan  werkt sinds 1987 voor Operatie Mobilisatie in verschillende capaciteiten zoals promotie en rekrutering, zorg en HR services tot aan executive internationaal leiderschap. Gedurende zeven jaar maakte hij (part time) als oudste deel uit van het leiderschapsteam van een Evangelische Gemeente in Rotterdam. De afgelopen tien jaar is hij zich meer gaan specialiseren in Coaching en Mentoring en geeft daarin training met als doel anderen toe te rusten en te bekwamen in het ontwikkelen van weer anderen.

Jan gaat vrijwel elke zondag voor in een scala aan kerken en heeft een MA in leiderschap en management, behaald aan Briercrest Theological Seminary in Canada.
Met zijn ervaring in zowel de zendingswereld als de kerk is hij in staat om kerken  te helpen om samen de geschetste werkelijkheid van veel kerken (betreffende het zendingsbeleid) te betreden, de unieke vragen in kaart te brengen en een uitweg te vinden die bijdraagt aan een helder beleid en praktijk waarbij alle partijen zich optimaal tot elkaar verhouden.Dit kan in de vorm van coaching/mentoring waarbij de kerk iemand aanwijst die in staat is de bevindingen over te dragen en om te zetten in beleid en uitvoering.Ook kan men kiezen voor een vorm waarbij met een groep mensen uit de kerk of de organisatie wordt gewerkt en de vorm meer die van een consult aanneemt.

(*) Er staat best wel wat tussen aanhalingstekens. Ik gebruik daar traditionele taal omwille van de herkenbaarheid maar ben voorstander van het gebruiken en desnoods ontwikkelen van nieuwe begrippen die beter passen in het huidige tijdsbeeld:

  • Kerk is hetzelfde als gemeente. "Kerk" wordt vooral in traditioneel protestantse kerken gebruikt terwijl "gemeente" de taal is van de zichzelf hipper vindende vrijere groepen zoals baptisten, pinkstergelovigen en andere uitvindingen.
  • "Zending" is een raar woord. "De zending" is nog erger. Het gebruik van deze woorden houdt een hardnekkige, ongewenste en on-Bijbelse tweedeling in stand. 
  • De zendeling (ik noem ze liever "werker" maar dat is ook niet ideaal) is van eenzelfde laken en pak. Het impliceert en suggereert een onderscheid tussen de "werker voor God" en hen die dat dus blijkbaar niet doen. Het onderscheid is echter veelal te reduceren tot het antwoord op de vraag wie de rekeningen betaalt. Als de kerk en de gelovigen die betalen is de ontvanger een zendeling/evangelist. Doet jouw baas dat dan ben je geen zendeling. Kortom: zeer ongewenst taalgebruik.



17 november 2019

Een beetje vent staat voor zijn raam

Twee jonge gassies, nog geen twintig jaar oud, stonden naast de Plus, bij de ingang van de parkeergarage. Naast hen de tot de standaarduitrusting behorende display met grotere en kleinere geschriften, waaronder de periodieken "Ontwaakt!" en "Wachttoren." De koppen spraken voor zich: "De zoektocht naar waarheid, Is dit leven alles wat er is, Heeft het leven nog zin, Zes levenslessen voor je kind, Zullen we ons ooit veilig voelen?" enz..
Zoals te doen gebruikelijk maakte ik een praatje met ze en deduceerde dat ze te jong waren om vanaf de straat gerekruteerd te zijn en dus in het JG nestje moesten zijn grootgebracht. Dat bleek zou te zijn.
Beiden waren er snel bij om me ervan te verzekeren dat ze hier niet stonden omdat ze moesten, maar als gevolg van een persoonlijke keuze en een passie, samen met een flinke snuf opdrachtsbesef, om er voor Jehova op uit te gaan en voor Zijn naam op te komen.
Ze vroegen of ik mormoon was. Nee, dat was ik niet en deed vervolgens mijn best om in enkele zinnen uit te leggen hoe het raamwerk van mijn geloof eruit ziet; ongeveer vier hoeken, wat planken en natuurlijk een raam.

We vonden elkaar al snel in de hoeken en de planken maar besloten dat het raam anders is per groep en zelfs per persoon.


De meeste geloofsgemeenschappen vinden elkaar wel in de hoeken en de planken. Het is dat verduivelde raam dat alle ellende, tweestrijd, scheuringen, oorlogen, wijs-, en andere neuzen teweegbrengt.

Het "wij en zij" denken bestaat overal; mijn raam moet zijn raam zijn. Dat raam geeft de mens een plek, een identificatie, geborgenheid en een aanleiding om de ander, desnoods met geweld, ertoe te bewegen zijn raam op te geven en te erkennen dat er een beter raam bestaat, namelijk: mijn raam.

Te denken dat er zoiets bestaat als "het enige raam dat het juiste zicht verschaft" is een illusie. Nu hoor ik sommigen uit de kringen waarbinnen ik mezelf beweeg en toe reken, roepen dat het enige raam Jezus is. Maar daar zou ik het mee oneens zijn. Jezus is een hoek en geen raam. En we kunnen het er best snel over eens worden dat Jezus een hoek is maar hoe kijken we dan naar Hem? Juist, door een raam. En zo begint het weer van voren af aan.

Ik wenste de jongens van harte Gods zegen toe en vervolgde mijn weg.

De man zocht er zijn leven lang naar maar het bleek te ver weg en dieper verborgen dan diep. De reden dat hij het niet kon vinden, hoewel hij zijn zoektocht nooit op zou geven, was dat de mens een eenvoudig schepsel is, zo door God gemaakt, maar die mens heeft talloze gedachtespinsels (Pr. 7:23-29).

28 oktober 2019

Vergeven van bananen

Gisteren weer eens tamelijk kort door de bocht gegaan met enkele observaties en uitspraken aangaande vergeving. Aanleiding was de vraag van Petrus hoe vaak hij iemand moet vergeven als die iemand iets verkeerd tegen hem doet. Of zeven keer misschien genoeg was. Het antwoord van Jezus is dat 70 keer zeven maal vergeven wat dichter in de buurt van het juiste antwoord komt. 490 keer is op z'n zachts gezegd lichtelijk absurd, zo niet onmenselijk zeker als je dat afzet tegen het feit dat velen al moeite hebben, of gewoonweg weigeren om iemand één keer te vergeven voor kwaad hem of haar aangedaan.
"Gewoon doen" was de samenvatting van de betreffende paragraaf in mijn overdenking.
En dat is nu wat ik "kort door de bocht" noem. De werkelijkheid is namelijk vaak weerbarstiger en vooral ingewikkelder.
Dan heb ik het niet over incidenten waarbij de buurman 12 jaar geleden een bananenschil over de schutting in mijn tuin gooide en er sinds die tijd tussen hem en mij een steeds groter wordende verwijdering is ontstaan en we de rijdende rechter invliegen om recherche en uitspraak te doen en, uiteraard, mij in m'n gelijk te stellen en de buurman te straffen.
Iemand die een bananenschil tussen hem en zijn buurman in laat komen heeft "issues" en vraagt om een schop onder z'n kont.

Nee, er zijn helaas vele situaties te bedenken waarbij het "even vergeven" net zo absurd is als het idee van 490 keer vergeven en waarbij een lang proces nodig is voordat men eraan toe komt zich uit de emotionele, fysieke en/of psychologische klauwen van de pleger van het onrecht bevrijd te zien worden.
Slachtoffers van geweld, seksueel en andere misbruik, diefstal en ander zwaar onrecht, kunnen maar bar weinig met de vermenigvuldigingsfactor 70. Ze willen wel loskomen, maar het onrecht is van dien aard dat er sprake is van een niet kunnen en hulp door derden vaak nodig is om tot een enigszins bevredigende afsluiting te komen. Ik schrijf enigszins omdat de wonden vaak zo diep zijn dat overgebleven littekens gemakkelijk en veelvuldig opspelen. In min of meerdere mate zal men voor de rest van het leven door die wonden getekend blijven. Er zijn er die sterk, of zelfs sterker uit zo'n proces komen en de tekening zelfs weten om te buigen tot een verrijking van het leven en een hulp voor anderen. Maar dat is niet aan een ieder gegeven.

Aan hen die te maken hebben met onrecht op banenschilniveau bied ik geen excuses aan. Je weet wat je te doen staat. Stop met steeds maar weer over die verrekte schil glijden.
Aan hen die het slachtoffer zijn van onrecht dat boven de banenschil uitstijgt, vraag ik wel om vergeving. Wat ik hierboven heb beschreven is hoe ik er werkelijk in sta en de paar opmerkingen die ik er gisteren aan wijdde deden daar geen recht aan.
Op papier ziet het er allemaal zo simpel uit en kunnen we er zelfs een rekensommetje van maken. Het echte leven biedt daar echter te weinig ruimte voor. Die ruimte moet eerst gecreëerd worden.

Dank aan Nelleke Petit-Ros die me zonder met bananen te gaan gooien inspireerde tot deze mijmeringen.

25 september 2019

Intimiteit in het egoverhaal


Intimiteit – een betrekkelijk hip fenomeen dat in relatie tot God in de 19e eeuw in drukwerken, pamfletten en boeken wordt beschreven en door de decennia heen aanzwelt tot een kakofonie aan ideeën, aannames, vanzelfsprekendheden en vooral lijstjes met stappen die de mens moet zetten om tot een gezonde beleving van die intimiteit met God te komen.

Sommige populaire schrijvers gaan zelfs zover dat gesteld wordt dat intimiteit met God Zijn hoogste plan is. Dat is best wel zielig voor al die mensen die tot, pak hem beet, begin 1600 het zonder intimiteit moesten doen. Het is namelijk pas rond 1630 dat het concept “intimus” zijn (of is het haar) intrede doet. Frappant, maar zeker niet toevallig is dat het idee van individualiteit rond dezelfde tijd voor het eerst aan het globale vocabulaire wordt toegevoegd. De lancering van het individu, nu toegerust met een nieuwe graadmeter, of norm, die we beleving noemen is daarmee een verklaarbaar feit. Daarvoor was het er ook al maar had het geen naam en daarmee geen legitimatie.
Nu heb ik niets tegen beleving en emoties. Deze maken immers integraal deel uit van wat we de totale mens kunnen noemen. Een gezonde balans tussen rede en beleving kan bijdragen aan een ‘evenwichtig in het leven staan’.

Een van de studenten vroeg me wat ik ervan vond dat er christenen zijn die psychologie studeren. Ze voegde er aan toe dat ze zo iemand kende en die was nu van het geloof afgevallen. Ik antwoordde dat ik vond dat er te weinig christenen zijn die psychologie studeren, of verwante vakken zoals filosofie, antropologie en wat dies meer zij. Het feit dat mensen van het geloof afvallen heeft weinig te doen met dat soort vakken maar alles met het onvermogen om hun geloof op een duidelijk manier te articuleren en te integreren met wetenschap. Voor veel christenen staan die twee namelijk tegenover elkaar en het ‘heulen met de vijand’ kan nooit tot een goede uitkomst leiden…

Juist omdat het geloof in de levens van velen gereduceerd is tot een beleving kan het niet op tegen de vermeende “harde bewijzen” van de wetenschap. Het idee dat geloof en wetenschap naast elkaar moeten bestaan is voor velen een brug te ver; dat voelt niet goed. Laat staan dat ze intiem met elkaar worden!

24 september 2019

Het egoverhaal

Een van de studenten wist ons te vertellen dat er een authentieke afbeelding van Jezus bestaat. Wat blijkt nu; iemand had Jezus in een vermeend visioen gezien en dat beeld middels verruf, canvas en penseel vastgelegd in een schilderij. Een ander iemand die in een ander vermeend visioen ook Jezus had gezien, zag dat schilderij en concludeerde dat de geportreteerde Jezus er precies zo uitzag als in zijn visioen. Aangezien op het getuigenis van twee iets vaststaat, hebben we nu ergens een afbeelding van Jezus. Iemand in mijn klas - ik geef deze week les in Ecuador - was wel benieuwd of iemand de helderheid van geest heeft gehad om er een foto van te maken. Helaas, die foto was er niet dus blijft iedereen overgeleverd aan zijn en haar eigen fantastische verbeelding.
Nu ging mijn les hier helemaal niet over en voor mij is het nog nooit een vraag geweest hoe Jezus er wel en niet uitziet.
Of ik ook iets meer licht kon laten schijnen op de vraag of Abraham letterlijk met God wandelde - er staat immers geschreven dat hij met God wandelde - besloot ik te beatwoorden met het politiek correcte "nee, Abraham wandelde niet letterlijk met God."
Best wel aardige thema's waar je gezellig rond de koffie over kunt keuvelen maar ook weer niet zo bijster interessant dat je er een of meerdere lessen aan zou besteden. Ik in ieder geval niet.

Met dat laatste 'wandelende Abraham' antwoord had ik mijn klas weer in het gareel en konden we het weer hebben over het "metaverhaal van God" en het belang daarvan voor ons leven in een tijd waarin het meer en meer draait om wat ik het "egoverhaal" noem. We zien ons leven daarbij niet langer in het licht van dat allesomvattende en mysterieuze verhaal dat God aan het schrijven is maar knippen we het stukje waar ik in voorkom eruit en laten dat vervolgens een eigen leven leiden; ja, die andere egoverhalen zijn belangrijk en waardevol maar wel met die aantekening dat mijn verhaal net ietsje belangrijker is. Toch?

Ik vroeg een van de studenten hoeveel bijbels zij persoonlijk in haar bezit had. "Meer dan tien", antwoordde ze. In de laatste 40, 50 jaar heeft het hebben van een eigen exemplaar van de bijbel een gigantische vlucht genomen. Voor die tijd was er de familiebijbel waar men als gezin uit las en voordat die familiebijbel de intrede deed moest je naar de kerk om het Woord van God te horen. Als je geluk had gebeurde dat in een taal die je zelf ook sprak maar hele generaties moesten het doen met het luisteren naar een taal die ze niet eens verstonden.
Een geweldige vooruitgang, die persoonlijke Bijbel in de vertaling die de lezer het beste vindt (dat "beste" is dan meer op grond van emotionele overwegingen dan wetenschappelijke of taalkundige). Maar met het dragen van een zakbijbeltje heeft ook het "egoverhaal" een vlucht genomen en hoor je preken over bijvoorbeeld 'intimiteit met God.'

Wordt vervolgd. "Mijn" klas wacht op nog meer verontrustend nieuws

19 september 2019

Gewoon jaloers of stikjaloers!

De belangrijkste drijfveer in het leven van de mens is afgunst, meent de Prediker. Dat is een nogal boude uitspraak, gebaseerd op zijn persoonlijke observatie. Het is namelijk onwaarschijnlijk dat hij een representatief psychologisch onderzoek heeft gedaan en hier zijn conclusies in een wetenschappelijk artikel presenteert.


Tja, persoonlijke observaties; natuurlijk tellen ze wel mee maar hoeveel gewicht worden die persoonlijke observaties nu eigenlijk toegekend in het echte leven? Als ik andermans observatie wel aardig vind, zeg ik er aardige dingen over. Als ik het wat minder vind, zeg ik al gauw dat iedereen recht heeft op een eigen mening en dat ik niet wil oordelen over iemands subjectieve beleving. Zeker in onze moderne tijd is het zaak om met je tengels van andermans gevoel en beleving af te blijven.

Goed, ik dwaal af. Ik denk dat Prediker's observatie op z'n minst aanleiding geeft tot reflectie op het eigen leven.
Is mijn diepste motivatie om iets te bereiken te vinden in jaloersheid? Er zit mijns inziens wel een harde kern van waarheid in.
Dat de mens geneigd is zich te vergelijken met de ander die meer of minder heeft, gekker of leuker is, slimmer of dommer, is iets wat ik wel bij mezelf herken. De mens oordeelt zichzelf en de ander op grond van door hem/haarzelf aangenomen normen. Waar die normen op gebaseerd zijn is een ander verhaal maar hoe dan ook, iedereen heeft nu eenmaal dat soort normen die de mens tot een bijna altoos vergelijken aanzet.
Als de ander beter, rijker, slimmer of wat dan ook in vergrotende of overtreffende trap is, voel ik een stekelige jaloersheid die ik prachtig glimlachend weet te verbergen: "ik gun het die ander van harte" (in de hoop dat die ander het mij ook gunt als ik bij dat meerdere terecht zou komen).
Ik ervaar die jaloersheid met name als het zaken betreft die voor mij belangrijk blijken te zijn. Wat ik bedoel is dat het mij niets doet als ik een goede voetballer aan het werk zie maar wel als ik iemand betere foto's zie maken (en dat zijn er nogal wat!). Ook voel ik die stekelige jaloersheid bij mensen die in een huis wonen waarin ik eigenlijk zou moeten wonen, of in een auto rijden die wat jonger is dan de mijne en minder onderhoud behoeft maar uiteraard wel met voldoende PK's (minimaal 200).
De jaloerse steek is het sterkst als ik mensen ontmoet die een uitzonderlijk opsluitingsvermogen hebben - die onthouden van alles en weten bijvoorbeeld morgen nog dat ze vandaag deze Blog schreven. Ik (mijn geheugen) is zo lek als een zeef. Het is om gek van te worden. Bij tijd en wijle scheld ik mezelf (heel erg hardop) uit om mijn gedemonstreerde onvermogen tot onthouden. Dat schelden helpt niet. Althans ik heb nog nooit gemerkt dat ik als gevolg van zo'n scheldpartij opeens beter kon onthouden. Ik heb nog geëxperimenteerd met geheugenpaleizen maar ben vergeten hoe het precies werkte. Nog erger, de paar paleizen die ik heb gebouwd, kan ik nu niet meer wissen en hebben een permanente plek in het landschap van mijn geheugen ingenomen!

Prediker is nog niet klaar en plaatst dat jaloerse gedoe in een heerlijk, ontnuchterend, relativerend perspectief: heb je eenmaal dat waar je zo jaloers op was; het is enkel lucht en najagen van de wind! (4:4-6)

Voordat ik aan de rest van de dag begin ga ik eerst nog even een luchtje scheppen. Wat zullen al die mensen die nu in de file staan  jaloers op mij zijn.

15 september 2019

De keer dat ik drie minuten stal

"Houd jij altijd je beloftes?" vroeg de man me na afloop na een kerkdienst waar ik had gesproken. Aan de manier waarop hij de vraag stelde en te lezen in zijn lichte, ietwat triomfantelijke grijns vermoedde ik dat ik beter voorzichtig kon zijn met hoe ik antwoordde en zei dat ik in principe mijn uiterste best doe om gedane beloftes na te komen en in het geval van het moeten breken van een belofte opnieuw "onderhandel". Wat had de beste man voor mij in petto? Het was duidelijk dat de vraag niets te doen had met een algemene interesse of een wetenschappelijk onderzoek. Hij had me kennelijk betrapt op een gebroken belofte. En net zulke werk! "Als je belooft dat je niet langer dan 25 minuten spreekt, dan moet je dat ook doen." En ja, hij had gelijk. Ik had namelijk 28 minuten gesproken.

Ik heb tegenwoordig een "timer" die na 25 minuten een signaal geeft en had een van de jongeren gevraagd om bij het afgaan van het signaal te zeggen: "ja, zo kan het wel weer - we hebben het nu wel gehoord. Kappen!"
Tien seconden voordat mijn 25 minuten vol waren realiseerde ik me dat ik nog een paar minuten nodig had om mijn over het publiek uitgestorte gedachtekronkels - sommigen noemen het een preek - af te ronden en vroeg het publiek en met name de uitverkoren jongere om toestemming om op mijn belofte terug te mogen komen en enkele minuten langer te spreken. De heldere collectieve reactie vanuit het publiek leerde me om niet halverwege een halve zin of gedachte amen te roepen maar mijn verhaal netjes af te ronden. Zo kwamen we uiteindelijk op 28 minuten.
Overigens ben ik die timer gaan gebruiken voor mezelf en niet zozeer voor mijn publiek. Ik heb namelijk de bijzondere gave van wauwelen: dooremmeren terwijl ik allang gezegd heb wat ik in wezen wilde zeggen. Houd het kort, knisperig en to-the-point. Dan hebben we daarna meer tijd om tijdens de koffie met elkaar te keuvelen - een essentieel onderdeel van het kerk zijn.

Nu heeft dat kort spreken ook z'n potentiële nadelen. De dienstleider kan unilateraal besluiten dat we veel te vroeg klaar zijn en dan ruimte bieden voor een open tijd van gebed en daar bovenop nog een stapeltje liedjes met als gevolg een dienst die toch weer lang duurt en zompig geworden speculaasjes bij de koffie. Die hebben te lang vocht uit de lucht liggen trekken. Hier is overigens niets van verzonnen en is echt gebeurd. Regelmatig zelfs. Alleen dat van die speculaasjes is ietwat overdreven.

Terug naar het je woord houden. Was het niet Jezus die zei "laat uw ja, ja zijn en uw nee, nee"? Ja, dat zei Hij en dat is ook de basis voor vertrouwen in elkaar, handel drijven en afspraken maken. In de praktijk zien we onszelf echter talloze keren opnieuw naar de onderhandelingstafel terugkeren, inclusief de grijnzende man (vermoed ik maar hij kan een uitzondering zijn). Veranderde omstandigheden zijn altijd voorhanden. Ziekte, files en prioriteiten zijn drie redelijk vaak voorkomende. Niemand vindt het raar om een afspraak te moeten verzetten en er is vrijwel altijd wel begrip voor de redenen die worden gegeven voor de verzetting of zelfs annulering.
Overigens had Jezus niet de drie minuten langer durende preek voor ogen of een te verzetten koffie afspraak. Hij had het over een diepere laag die te maken heeft met hoe mensen zich tot elkaar en de overheid verhouden. Het is tegenwoordig niet voldoende als ik zeg wie ik ben, ik moet bewijs meenemen want ik word niet op mijn woord geloofd. Het heeft dan ook meer te maken met hoe de mens geneigd lijkt te zijn tot liegen, bedriegen en jatten.
Ik droom regelmatig van een samenleving waarin niemand liegt, bedriegt of jat. Ik hoef dan geen slot meer op mijn deur, en krijg mijn zoekgeraakte portemonnee gewoon thuis afgeleverd en de boer krijgt een eerlijke prijs voor zijn kip, melk en koe. Dat is een basisprincipe van het Koninkrijk Gods. Helemaal niet zo'n gek idee, je zou er zomaar zin in krijgen.

En die drie minuten dan? Ik geeft toe dat ik feitelijk heb gelogen. Als verzachtende omstandigheid wil ik echter aanvoeren dat ik de toestemming van het collectief had gevraagd en gekregen. Of de grijnzende man zich op dat moment tot het collectief rekende, weet ik niet. Ik zag hem niet zitten tussen het volk. Ik hoop dat hij het mij vergeeft en me voor de rest van mijn level labelt als de "minutenjatter".