1 augustus 2011

Hulpeloos...

Toen wij nog hulpeloos waren...
Behangen doe je het best met z'n tweeën. Dat kunnen Martha en ik vrij goed en het is ook geen schande om de hulp van iemand in te roepen als je een Ikea slaapbank een paar trappen op moet sjouwen. Het inschakelen van hulp in triviale zaken is niet zo'n probleem voor mensen.
Een verkapte hulpvraag die we in het dagelijks spraakgebruik tegenkomen kan zelfs irritant worden. De traditionele opdracht "hands up" is nu verpakt in een persoonlijke gunst: "could you please put your hands in the air for me, please?"
Of: "dit potje plast u even vol" heeft plaats gemaakt voor "wilt u voor mij dit potje volplassen" Dat eerste vind ik prettiger omdat de vraag om een "persoonlijke" gunst de indruk wekt dat er ook de keuze is om niet de handen in de lucht te steken (op straffe van neer-, of doodgeschoten te worden), of het potje niet vol te plassen zodat verder onderzoek om uit te vogelen waarom mijn grote teen altijd jeukt onmogelijk wordt.
Bovendien, ik steek mijn handen niet in de lucht om de politieagent te plezieren maar omdat het systeem dat dicteert. De dokter heeft geen enkele persoonlijk baat bij mijn plas. Ik steek mijn handen in de lucht voor het systeem en plas het potje vol voor mezelf. Het idee dat ik de agent en de dokter zou helpen om hun vermeende persoonlijke behoeftes om armen in de lucht te zien en volle plaspotjes is op z'n minst bizar. Echter, de manier waarop de "opdracht" wordt gegeven impliceert dat wel.
De agent is niet hulpeloos en de dokter ook niet. De quasi werkelijkheid die we hebben gecreëerd; iedereen is altijd een ander aan het 'helpen' is een maniertje geworden om de andere het gevoel van macht te geven. Het idee dat ik de agent help; hij erkent indirect zijn hulpeloosheid door het commando in een persoonlijke vraag te gieten, zou mij een goed gevoel kunnen geven wanneer ik mijn handen uiteindelijk ind e lucht steek. Wat fijn dat ik iemand hebben kunnen helpen.

De hulpeloosheid waar Paulus het over heeft in Romeinen 5, is er een van een een andere orde van grootte. Hulpeloosheid wordt hier verbonden aan de universele goddeloosheid van de mensheid. De mens is van God los en kan niet zonder Zijn hulp weer vast geraken. Het sterven en de dood van Christus is de enige hulp die beschikbaar is om van onze god-los-heid af te komen.
Om dat in een persoonlijke hulpvraag te gieten, lijkt voor de overgrote meerderheid van de mensheid teveel gevraagd. Het erkennen dat ik echt hulpeloos ben en echt van God los ben (en nee, die is niet ergens binnen in mijn te vinden) vraagt om het loslaten van een sterk aanwezig eergevoel. Zoals een kind niet kan wachten om zonder steun en hulp zelf te kunnen fietsen, lijkt de mens een innerlijke drang te hebben om het leven zelf aan te kunnen, er zelf mee te "dealen."
Goed, er zijn levenscoaches, financiële coaches en noem maar op coaches beschikbaar maar dat soort coaching is niets meer dan een elitair, lacherig verschijnsel dat is weggelegd voor vermogenden die gevangen zitten in het zichzelf aangedane labyrint van alsmaar hoger en alsmaar meer.

"Here Jezus, wilt U voor mijn God-los-heid sterven, zodat ik kan leven?" Zijn antwoord is "dat heb ik al gedaan."

Geen opmerkingen: