10 februari 2018

Wij vinden dat niet raar, wij vinden dat gewoon heel bijzonder

Nadat ik om acht uur de zaterdagkrant bij de altijd jolige dames van Primera had gekocht – onlangs kregen ze me zover om mee te zingen en bewegen op YMCA; ‘doet u mee meneer?’ – en naar buiten liep, zag ik dat de JG dames zich al vroeg achter hun display hadden geïnstalleerd. Nu heb ik er een gewoonte van gemaakt om, ongeacht waar ter wereld ik me bevindt, altijd een praatje te maken met mijn JG vrienden.
Het karikatuur van de JG met voet tussen de deur heeft plaats gemaakt voor een zich meer passief opstellend duo achter een lectuurrekje. Niets van een "meneer, mag ik u iets vragen" benadering maar een wachten op enige blijk van interesse van de kant van de klant. Keurig.
De lectuur is onmiskenbaar JG design met vaak pretentieuze (wat de Bijbel werkelijk leert) en/of retorische (wie wil er niet gelukkig zijn) titels/vragen. De oplage van hun maandblad liegt er niet om (70 miljoen in meer dan 130 talen). De JG's hebben wereldwijd meer dan 8 miljoen actieve verkondigers. Dat verklaart waarom de kans groot is dat je ze wel een paar keer in je leven tegenkomt. Gebrek aan zendingsijver kan hen niet verweten worden.
Goed, ik dwaal af.

Terwijl de ene mevrouw (waarom zijn het bijna altijd vrouwen - waar zijn de mannen?) aan haar meegebrachte ontbijtkadetje met kaas knaagt, heb ik met de andere mevrouw iets wat op een gesprek lijkt. Een gesprek voeren gaat de ene JG beter af dan de andere. De een houdt zich angstvallig vast aan het (ingestudeerde) script, waar de ander zich zeker genoeg voelt om vrij te converseren. Niets vreemds aan, zo gaat dit nu eenmaal bij mensen in het algemeen. De een is meer bezig met uit te stallen wat hij/zij heeft en weet, waar de ander zich oprecht wil verdiepen in de etalage van jouw leven en wat zich daarachter bevindt.
Maar ging het gesprek ook ergens over? Ja, best wel.

  • Over hoe de mens geneigd lijkt te zijn om zichzelf als het centrum van het universum te zien.
  • Over hoe de lezer/bestudeerder van de Bijbel de neiging lijkt te hebben om die Bijbel, zichzelf en God binnen de uiterst enge grenzen van de persoonlijke levenscocon en -sfeer te duiden en toe te passen.
  • Over hoe drama en/of trauma in iemands aanleiding kan zijn om serieus naar God te vragen.
  • Over hoe God te vinden is als de mens ernstig zoekt.
En nog wat dingen die er toe doen.

Ik heb respect voor hun zendingsijver. Een belangrijke reden (er zijn er meer) waarom ik altijd een praatje met mijn JG vrienden maak is dat ik ze aan wil moedigen om zich te focussen op de door God voorgestelde oplossing van het menselijk dilemma: het geloof in Jezus Christus. Ze weten het drommels goed: er is slechts één naam en middelaar gegeven waardoor de mens vriendschap met God kan ervaren. Dat wordt slechts terloops in gesprekken en in lectuur genoemd waardoor er het gevaar bestaat dat juist dat Goede Nieuws ondergesneeuwd raakt door minder relevante zaken. Zo kunnen JG's zich nogal bezorgd uitlaten over de heersende onkunde en praktijk betreffende Gods ware naam/titel. Ik vind dat toch wel een dingetje.

Dat soort dingetjes is overigens ook de evangelische boom met al haar vertakking niet vreemd. Wij kennen ook een tak aan de boom die het belangrijk vindt dat Jezus bij z'n oorspronkelijke roepnaam wordt aangeroepen (de namen van de andere karakters in Gods verhaal worden overigens niet terugvertaald), de sabbat op de juiste dag van de week wordt gevierd en nog een aantal geloofszijstraten waarvan het naambordje een flinke oppoetsbeurt krijgt. Allemaal prima hoor, zolang het niet het onderwerp van de missie wordt.

Inmiddels is het kadetje weggewerkt en is mevrouw twee ook weer bij de les. We praten nog wat over het weer. De drang om naar huis te gaan om (voor het wereldnieuws) de killersudoku op te lossen is nu sterk genoeg om me uit de triade los te weken. Ik word bedankt voor het bemoedigende gesprek.
Het sneeuwt een beetje.
't-Voelt goed om anderen een hart onder de riem te steken, ook al hangen ze wat mij betreft aan een wat eigenaardige (boom)tak.

22 januari 2018

Als de kleur van je kerk je niet aanstaat

Een van de geneugten van het leven in Nederland is dat we, omdat de meeste Nederlanders over een persoonlijk voortbewegingsapparaat beschikken dat langere afstanden in relatief kort tijd kan overbruggen, kunnen kiezen waar en met wie we ons verenigen. Voorbeeld: de kerk. Een zichzelf en de Bijbel serieus nemende gelovige sluit zich aan bij een groep van ongeveer gelijkdenkenden die regelmatig samenkomt in een daartoe bestemd gebouw. De keuze voor zo’n groep wordt bepaald door factoren zoals geografische afstand, traditie en vooral persoonlijke voorkeur. Kort door de bocht: we zoeken aansluiting bij een groep die het meest aan de persoonlijke voorkeur, beleving, overtuiging, wensen en favoriete ‘kleur’ van de zoeker/kiezer tegemoetkomt. Keuze te over in Nederland, met name in de grotere plaatsen. 

Als de ‘kleur’ teveel afwijkt, wordt een nieuwe groep gestart. Zo’n nieuwe groep heeft een fris, groen gazonnetje dat meteen opvalt bij hen deel uitmaken van andere groepen maar die het gazonnetje van hun huidige parochie wat fletsjes zijn gaan vinden. Dat frisse, onbesmette gazonnetje trekt vaak voldoende aandacht om het een en andere aan bladgroen van omringende groepjes weg te kapen. Sommigen noemen dat kerkgroei; ik pleeg het vluchtelingenkampen te noemen.

Vandaag vertrek ik naar een van mijn favoriete plekken in Australië: De Eyre Penninsula. Oppervlakte is 1,3 keer zo groot als Nederlander met een kleine 60 duizend inwoners. Aantal kerken: minimaal. In een 'Church Camp' van Ungarra Church of Christ spreek ik over de Bergrede. Met veel van de leden heb ik in de loop der jaren een hechte vriendschap opgebouwd. Een van de leiders van de kleine geloofsgemeenschap vroeg me eens waarom ik steeds weer terugkwam naar hen in plaats van proberen de kansel te veroveren in een grote stadse kerk. Mijn antwoord was en is simpel: tegen de heersende cultuur van “ik zoek wat bij mij past en aan mijn behoeften tegemoetkomt” is dit een plek waar, omdat de keuzemogelijkheden minimaal of zelfs afwezig zijn, de gelovige zichzelf de vraag stelt: “wat moet ik doen, of hoe pas ik me aan om bij deze kerk te kunnen/mogen horen?” Er is slecht één uitweg indien de gelovige vasthoudt aan het voornemen een hem/haar beter passende kleur te vinden: rijden. Heel ver rijden.

Het is mijn mening en beleving dat ongeacht bij welke groep een gelovige zich ook aansluit, vroeger of later het gras in de hof van de kerk wat fletsjes blijkt. De les die ik bij voortduring leer is: kijk niet naar het gras want je vindt altijd wel wat.

Eugene Petersen vat het kernachtig samen:
Van alle manieren om betrokken te raken bij dat wat we kerk noemen is het samenkomen van de gelovigen de meest absurde -  een bonte verzameling van mensen die op de een of andere wijze op zondagochtend bijeen weten te komen, vaak met een half hart liederen zingen die de helft niet kent of niet mooi vindt, zich op een preek concentreren afhankelijk van hun  vermogen om de stof op dat tijdstip te verteren of het volume en de charisma van de spreker, onbehouwen in hun toewijding en hortend en stotend in hun gebeden.
Maar deze mensen zijn ook de mensen die een diep lijden kennen en God vinden in hun lijden. Dit zijn de mensen die elkaar hun liefde verklaren, er trouw aan zijn door lief en leed en de vrucht van gerechtigheid voortbrengen, de vrucht van de geest die de mensen om hen heen tot zegen zijn…
…Deze groep van welwillende gelovigen is zeer divers en trekt samen op met hen die zich aan de buitenkant niet eens van de welwillenden onderscheiden.
Ik kan in de bijbel geen andere vorm van kerk vinden.

Eugene Petersen, Under the unpredictable plant, 23-4, Vertaling: moi

13 januari 2018

Ik leef vanuit een schaarste

De mens in het enige wezen dat in staat is om de kloof te herkennen tussen wat ze is en wat ze kan zijn, of is bedoeld te zijn. De woorden die ik gebruik om de kant van de kloof waar ik ben, te verbinden met de kant waar ik naar toe wil, worden gekenmerkt door verlangens en intenties.  

Wanneer ik luister naar gebeden komen daar relatief vaak zinnetjes in voor die beginnen met Heer, geef dat…, Heer maak mij (of ons)…, Heer, verander mij (of ons)…, Heer, meer…” Dat zijn gebeden vanuit de schaarste; het idee dat iets er wel is, maar niet in de mate zoals we deze voor ons zien of voor mogelijk houden.
Hierbij wordt erkend dat we 1) ergens zijn, en 2) onderweg maar nog niet gearriveerd zijn. In dezelfde zin verwoorden veel teksten van eigentijdse christelijke liederen deze schaarste. 

Five Members of the Utrecht Brotherhood of 

Jerusalem Pilgrims, c.1541 Jan Van Scorel
Mij spreekt het beeld van een volgeling van Christus als pelgrim aan; altijd onderweg en nooit gearriveerd. Het leven is de reis en de reis het avontuur.
De schaarste van de pelgrim is dat deze, met het beeld van de bestemming voor ogen, nog niet is waar hij wezen wil. Zonder een besef van nog niet zijn waar ik wezen wil, zou ik vervallen in genoegzaamheid. Het is juist de schaarste die mij motiveert; mijn dagen, leven en werk betekenis en zin geeft.

Wat oude poëtische regels zeggen het treffend:

Met lichte zaken op de rug
trotseert de pelgrim d’ elementen.
Weer en wind altijd zijn deel,
't zit hem altijd voor of tegen.

Kuiert fier het ritme van de dag,

schuwt, noch zoekt de furie van morgen.
Biedt het hoofd aan ‘t kwaad vandaag,
met het beeld van ‘t eind voor ogen.

(Auteur onbekend. Oorspronkelijk zes coupletten maar vier ervan moeten als voorgoed verloren worden beschouwd)

Ik hoef niet zo nodig te gaan waar ik niet kan staan (zie vorige Blog). Ik hoef de regen niet te zoeken. Die komt vanzelf. En als het dan regent, moge dan de grote woorden die we zingen en bidden bewaarheid worden. Het “meer” ontvangen we niet voor de regen komt, maar in de hoosbui.

10 januari 2018

De zee inlopen en door blijven lopen

Wat wordt er bedoeld als de aanwezigen, bij voorkeur (of in opdracht van de aanbiddingsleider) staande, met gesloten ogen, armen in de lucht en zachtjes meedeinend op het ritme, zingen “Leid me verder dan mijn voeten kunnen dragen. Ik vertrouw op uw genade, want ik ben in uw nabijheid.”
Het liedje is in de context en met het beeld van een boel water met daarbij wat flinke golven voor ogen gedicht. Een stevige plas water dus en geen siervijver in de achtertuin.

Ik zie mezelf de zee inlopen. De Westenwind (kracht 6-7) stuwt de korte, heftige golven flink op. Ik loop door tot het water me aan de lippen staat. Tussen de golven door haal ik, nu licht paniekerig maar met een air van “mij overkomt niets” adem. Hartslag boven de 150 slagen per minuut. Zoiets is op zich al beangstigend, laat staan als ik vervolgens doelbewust doorloop. Maar dat is wel de strekking van het lied. Doorlopen. Flink zijn; als jij niet meer kan staan krijgt de Heer eindelijk de kans om je te dragen.

Misschien is het een variant op de afschuwelijke generalisatie “wie mooi wil zijn moet pijn lijden,” een gezegde dat wel wordt gebruikt om mensen aan te moedigen die lijden aan door zichzelf toegebrachte pijntjes met als doel mooier of aantrekkelijker uit dat pijnproces te geraken. Dat heeft een bepaalde hoek in de christelijke theologie als waarheid omarmd; we groeien en veranderen pas als het eerste flink zeer heeft gedaan en hangen dit op aan een of twee Bijbelverzen die voor de handigheid uit de context zijn geknipt.[1]

AP Photo/Schalk van Zuydam
Telkens wanneer dit lied wordt gezongen (en dat wordt het nogal eens) zie ik het beeld voor me van de wanhopige en radeloze vader en/of moeder die haar kind aan de dood moet afstaan als gevolg van een dodelijke ziekte, ondervoeding, of wat dan ook.
Of ik zie de door tal van oorzaken gekwelde medemens die al moeite heeft om de voeten aan de grond te houden op de plek waar water en zee elkaar raken.
Het sluit totaal niet aan bij mijn beleving van de werkelijkheid waar wij deel van zijn. Ik krijg de woorden dan ook niet over mijn lippen en doe er het zwijgen toe, de stilte gebruikend om te bidden voor hen die niet kunnen zingen.

Nee, het is typisch een liedje dat door de welvarende gelovige gezongen wordt vanuit de pluche van een comfortabele (steeds vaker) theaterstoel. Goed doorvoed, (bijna) alles op een rijtje en toch lichtelijke ontevreden met de eigen geestelijke toestand: er moet meer te halen zijn. Wellicht dat de diepte uitkomst biedt en dat het daar mag gebeuren.

Dit soort diepte, zoals bezongen in het lied,  hoeven we niet op te zoeken. Die overkomt ons als een ongewenste, kwaadaardige, van z’n lang zal ze leven niet uitgenodigde gast. Sommigen overleven dit soort dieptes niet en dat ligt niet aan hen en ook niet aan God. Het gebeurt. Moge God allen die zich onvrijwillig in de diepte bevinden vasthouden

N.a.v. Oceans, Hillsong United. Hier een link naar de Nederlandse versie. Let op de heerlijk glijdende akkoorden en de opbouw naar de climax…..




[1] Bijvoorbeeld "Verheugt u daarin, ook al wordt gij thans, indien het moet zijn, voor korte tijd door allerlei verzoekingen bedroefd, opdat de echtheid van uw geloof, kostbaarder dan vergankelijk goud, dat door vuur beproefd wordt, tot lof en heerlijkheid en eer blijke te zijn bij de openbaring van Jezus Christus" (1 Petrus 1:6-7)
Of
“Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn. Wanneer gij door het water trekt, ben Ik met u; gaat gij door rivieren, zij zullen u niet wegspoelen; als gij door het vuur gaat, zult gij niet verteren en zal de vlam u niet verbranden” (Jesaja 43:1-2)

8 januari 2018

Dronk de slang in Genesis koffie of hield'ie alleen maar een kopje vast

Vervolg van vorige Blog

In 1926 werd dominee Geelkerken uit het ambt gezet (met nog enkele predikanten) omdat hij gezegd zou hebben dat de slang in Genesis drie niet letterlijk had gesproken. Eén ouderling, die middels enkele brieven een klacht over deze uitspraken had ingediend werd in het ongelijk gesteld. De ouderling hield echter voet bij stuk, zette z’n hakken in het zand en accepteerde de uitspraak niet. Een kerkscheuring was het gevolg.

Voorstelling van de zonde van Adam en Eva door
Jan Brueghel de Ouden en Pieter Paul Rubens (Gemaakt in 1615)
Volgens de dominee zelf had hij onder andere gezegd dat het vaak moeilijk is uit te maken hoe bijzonderheden in Genesis 3 moeten worden uitgelegd. Hij had erop gewezen dat er “schier evenveel verklaringen als geleerde uitleggers” bestaan en daaraan het volgende zinnetje toegevoegd: “Denk maar aan den boom der kennis des goeds en des kwaads, de slang en haar spreken, den boom des levens enz.” Overigens had hij daarna de gemeente gewaarschuwd zich hierdoor niet van de wijs te laten brengen en de zondeval een historisch feit genoemd.[1]

De meeste effectieve manier om kernwaarheden door te geven aan een volgende generatie is door deze in verhaalvorm te gieten. Een verhaal is makkelijker te onthouden en is een relatief veilige verpakkingsmethode om de clou van dat verhaal over te dragen.

Wat christenen zonde noemen is ten diepste de keuze van de mens om zonder God te leven; God niet te willen, of nodig te hebben. Genesis drie geeft op dramatische wijze weer hoe deze ‘losmaking van God’ tot stand kwam. Waar we het dus over moeten hebben is het wezen van de zonde en de gevolgen daarvan voor de relatie tussen God en mens, mens en medemens, en de mens en zijn omgeving. Als we ons echter verliezen in een discussie over het welles en nietes van het letterlijke gebeuren van het verhaal zelf, missen we het punt, met hete hoofden, scheuringen en domme uitspraken tot gevolg. Waarom laat de mens zich zo makkelijk verleiden om over bewaardozen te discussiëren en daar elkaar op te beoordelen, alsof dat de belangrijkste zaak is, terwijl het toch om de koffie in de bewaardoos gaat? 

En laten we wel wezen; het verhaal van Genesis wordt steeds weer verteld en herteld waarbij we r analogieën, beelden en taal zoeken en gebruiken die door de moderne mens begrepen wordt. Dat doen we omdat we eigenlijk best weten waar het ten diepste over gaat.

Toen ik colleges volgde in India vertelde een Canadese professor over een Bollywood film die hij recentelijk had gezien en die nogal wat indruk op hem had gemaakt. Hij vertelde in het kort waar de film over ging en vroeg aan de studenten of een van hen wist over welke film hij het had. De Indiase studenten schaterden het uit en zeiden dat dit willekeurig welke Bollywood film dan ook kon zijn. De kern is vrijwel altijd hetzelfde. De acteurs, de setting en de aanloop naar het verraad en de uiteindelijke verzoening verschillen echter steeds.

In Februari 1968 werd in Amsterdam een verzoeningsdienst gehouden waarbij de uitspraken van Assen werden herroepen. Dominee Geelkerken heeft het zelf niet mee mogen maken. Hij stierf in 1960, postuum in ere hersteld.

De synode had veertig jaar na haar oordeel eindelijk begrepen dat het eigenlijk om de koffie gaat.


29 december 2017

Jonge christenen hoeven niet perse een pratende slang.

In 1926 werd ene dominee Johannes Gerardus Geelkerken door de synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland geschorst, en korte tijd later afgezet. Aanleiding was de vraag of de slang in het scheppingsverhaal letterlijk had gesproken. De “zaak” werd aangegrepen om een in feite diepere kwestie aan de kaak te stellen, die van de “kenleer”; wat kunnen wij werkelijk kennen? Binnen de voortdurend in beweging zijnde theologie zocht de een soelaas bij een meer op de ervaring gerichte geloofspraktijk terwijl de ander, en dan kon heel goed je buurman zijn,  zich krampachtig vasthield aan de letterlijke interpretatie van de Bijbel. Deze kwestie sudderde al langer dan tien jaar en het was wachten op de eruptie. De kwestie Geelkerken bracht deze bubbelende laag tot ontbranding.[1]


Geelkerken’s afzetting trok diepe sporen in kerkelijke Nederland. Een kerkscheuring was het gevolg en predikanten voelden zich gedwongen om positie te kiezen met alle verdere gevolgen van dien[2].
Als je de correspondentie tussen de Classis en Geelkerken leest, is het duidelijk dat men ook toen al deed aan semantiek en dat er in feite helemaal niet zoveel aan de hand was. Men maakte het groter dan het was; een typische geval van riooljournalistiek. In zijn verweer schrijft Geelkerken onder andere:

Trots de uitweidingen Uwer memorie begrijp ik nog altijd niet, waarom Uwe vergadering tegenover mij de kwestie der „historische inkleeding” aan de orde stelde. Reeds in mijn preek-coupure zeide ik zoo beslist: „Vast staat, dat wij in Gen. 3 de goddelijke bekendmaking hebben van een historisch feit, het feit van den zondeval.” Hoe is het dan ter wereld mogelijk — bovendien nog na mijn vorig antwoord — dat Uwe vergadering er nog niet zeker van is, dat ik volstrekt niet van gevoelen ben, „dat er verschil van meening mag bestaan of wij bij Genesis 3 hebben te denken aan historie of aan historische inkleeding.”

Onlangs las ik het verhaal rondom Geelkerken en begon me af te vragen hoeveel gelovigen er op staan dat het verhaal van Eva en de slang letterlijk heeft plaatsgevonden zoals beschreven in Genesis 3. Mijn hypothese (veronderstelling)  was dat ik geloof dat met name de jongere generatie gelovigen comfortabeler is met een het idee dat het verhaal een metafoor is, net als een blik waarin je de koffie bewaard. Daarbij gaat het om de koffie waarbij het blik bijzaak is (dat had ook iets van Tupperware kunnen zijn). De reacties in mijn omgeving waren vooral van “nou, ik weet het nog zo net niet.”

Ik kon er nog wel van slapen maar besloot het toch maar eens te vragen. Zodoende dit mini onderzoekje. Om een nauwkeurig idee te krijgen zo groter en uitgebreider onderzoek gedaan moeten worden. Mijn onderzoekje beoogt niet meer dan enkele brede, ruwe penseelstreken in pastel neer te zetten en dan ook nog eens binnen een voornamelijk Nederlandse setting.
In hoeverre het loslaten van een letterlijke interpretatie van het verhaal in Genesis drie gevolgen heeft de (persoonlijke) geloofsbeleving weet ik niet en meet ik niet. Ik ken wel de onmiddellijke reactie van sommige “letterlijken” die zullen zeggen dat het niet geloven in Genesis drie als een feitelijke, historische en letterlijke gebeurtenis het begin van het eind van iemands geloof is, als het al niet het onmiddellijke einde is: “dan kun je alles wel schrappen.”

335 mensen hebben de vragenlijst ingevuld. Het merendeel uit Nederland. Zoals eerder gezegd moet er voorzichtig met de resultaten worden omgegaan omdat het representatieve gehalte niet optimaal is. Via Facebook heb ik mensen (vrienden) opgeroepen om deel te nemen en verzocht om het te delen (want eigenlijk niet of nauwelijks is gebeurd. Snap ik, zou ik zelf ook niet doen). De respondenten komen dus uit mijn vriendengroep en uit vrienden van vrienden.

Wat vooral opvalt is dat de jongere generatie (15-25 jaar) comfortabeler lijkt te zijn met een niet letterlijke interpretatie dan de ouderen (38% van hen gelooft in een letterlijke interpretatie tegen 50% van de 26-40 jarigen en 63% van de 41 tot 60 jarigen).

Hieronder twee eenvoudige tabellen. Als je interesse hebt om de gehele spreadsheet te lezen en te interpreteren, klik dan hier om deze te downloaden (csv format).



Ik wilde dus wat meten. Dus ging meten. Het navigeren tussen enerzijds de letterlijk historische interpretatie van de  Bijbel en anderzijds het reduceren ervan tot een opsomming van aardige levenswijsheden en richtlijnen is de taak die volgelingen van Christus is gegeven. Extremen zijn er altijd geweest en zullen er altijd blijven. Vaak zijn die extremen niets meer dan een angstvallig vasthouden aan iets wat we tastbaar en meetbaar willen maken. Het probleem is dat het geloof zich zo moeilijk laat vastpakken. Of zoals Thomas Halik het schrijft:

… wie van ons heeft de moed om zichzelf bloot te stellen aan een God die zich voortdurend onttrekt aan het beeld dat we van hem hebben, waardoor Hij ons dwingt onze meningen over de wereld en onszelf te blijven aanpassen? Geen wonder dat mensen liever  steeds nieuwe  afgoden fabriceren (vroeger van metaal en hout, vandaag uit ideeën en beelden) van wie zij tenminste  weten waar ze met hen aan toe zijn en wat ze van hen kunnen verwachten.

Thomas Halik, Ik wil dat jij bent; Utrecht, Boekencentrum, 2017, 25.

Wordt vervolgd.


20 november 2017

Ik moet wel beter zijn dan de rest

Mensen die een kunstje hebben bedacht en dat ook nog eens goed uit kunnen voeren worden, mits  door voldoende andere mensen gewaardeerd, in status verheven. Hen wordt een bepaalde hogere mate van gezag toegekend. Ze mogen aanschuiven en meepraten bij het nepotistische DWDD, worden geïnterviewd door respectabele dag- en weekbladen en hun ‘TED talks’ worden tienduizenden keren bekeken op Joetjoep.

Gezag, ontleend aan prestaties, heeft slechts een beperkte levensduur; het is de meest breekbare van de verschillende gezagsbronnen. Een goede acteur waarmee de helft van de wereld vandaag nog op de foto wil en wiens prestaties in het kwadraat worden bewierookt kan zomaar de paria van morgen zijn. Een minder slechte acteerprestatie ligt daar niet aan ten grondslag. Zo’n mindere prestatie kan worden verzoend en weggestreept tegen betere prestaties in het verleden of toekomst.

De zwakke plekken in het karakter die door omstandigheden, of anderen, openbaar worden gemaakt, zijn voor de media wat fastfood is voor de verder niet nadenkende consument – snel opgeslokt en verwerkt om vervolgens via het riool weer onderin het ecosysteem terecht te komen. Wassen, knippen, scheren, föhnen; het oordeel is geveld – eigenlijk vond ik hem als acteur nooit zo goed, er was iets….

Waar ik mee worstel is de vraag waarom me bij alle ophef en gedoe rondom recent gevallen en nog te vallen goden een gevoel van hypocrisie bekruipt. Misschien ben ik teveel beïnvloedt door de woorden van Jezus die zich tot het publiek en beulen van een te stenigen overspelige vrouw wendt met de woorden “wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.” *
Nu zijn de zwaktes in mijn karakter natuurlijk lang niet zo erg als die van de echte schooiers.


Toch?

* Ze druipen allemaal af: Toen ze dat hoorden gingen ze weg, een voor een, de oudsten het eerst, en ze lieten hem alleen, met de vrouw die in het midden stond. Jezus richtte zich op en vroeg haar: ‘Waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeeld?’ ‘Niemand, heer,’ zei ze. ‘Ik veroordeel u ook niet,’ zei Jezus. ‘Ga naar huis, en zondig vanaf nu niet meer.’ (Johannes 8)