17 november 2015

Daar is de Here God niet zo heel erg blij mee, weet je.

De intocht van Sinterklaas zal in veel kerken een aardige aanleiding zijn geweest om het “kindermoment” aan vast te haken. “Ben jij ook wel eens jaloers op je vriendje die een groot cadeau heeft gekregen, terwijl jij een stomme chocoladeletter kreeg?” Het is bedoeld als retorische vraag omdat het correcte antwoord “ja” behoord te zijn. Vervolgens het inkoppertje “als jij jaloers bent moet je weten dat de Here God daar niet zo heel erg blij mee is”.

Als je een poosje naar “de Here God is daar niet zo heel erg blij mee” staart, roept dat onvermijdelijk vragen op. Bijvoorbeeld: bestaat er een soort van glijdende schaal van blijdschap bij God die omgekeerd evenredig is aan het niveau van mijn gevoelens van jaloersheid, of welke andere zaken dan ook die God meer of minder blij zouden maken? Met andere woorden: Hoe jaloerser ik ben hoe minder blij God met mij is?

Gisteren naar drie preken geluisterd waarin eenzelfde achterliggende gedachte verborgen zit:
  • We moeten liefhebben. (Hoe meer ik liefheb hoe blijer God van me wordt)
  • We moeten geloven in een letterlijke schepping van zes dagen en een heerlijke jonge aarde. (Hoe letterlijker ik de Bijbel neem, hoe meer aaitjes over mijn bol ik krijg van God)
  • We moeten kappen met zelf werken. (Hoe meer ik toegeef dat ik niets kan, hoe beter God uit de verf komt)

Wat is nu mijn probleem hiermee? Mijn liefhebben zal altijd tekorten vertonen. Mijn vragen en worstelingen met de Bijbel zullen waarschijnlijk alleen maar toenemen en dat “zelf werken of hem laten werken” is zo’n abstracte gedachte dat niemand kan vertellen hoe dat dan werkt, anders dan het introduceren van nog meer abstractie, zoals “loslaten” en “overgeven”.

Kortom, een overweldigend gevoel van “ik doe het nooit goed genoeg” heeft zich in de krochten van mijn ziel genesteld en dat wordt vrijwel iedere keer als ik naar een preek luister bevestigd. Maar één ding weet ik en dat is dat er, om even bij de denkbeeldige glijdende schaal te blijven, een kantelpunt is dat werkelijk alles verandert. Dat kantelpunt is Christus. Door een unilaterale daad van Hem ben ik bevrijd, en met God en medemens verzoend. Daar komt geen glijdende schaal aan te pas. Door die daad van Hem en mijn geloof in die daad is mijn werk, mijn leven en zijn mijn relaties bevrijd.

Met andere woorden, ik zie en hoor nog teveel Sinterklaas met een achteloos verborgen maar wel degelijk aanwezige Zwarte Piet in preken en studies, en mis het hoofdstuk over verlossing waarmee alles in een ander perspectief komt te staan en we in een relatie met God staan waarbij synergie[1] centraal staat.

Ik reken het mijn collega's niet te zeer aan, hoor. Wat ik namelijk niet mis is het verlangen dat doorklinkt in veel preken  en verwoordt wat velen voelen: juist omdat we overweldigd zijn door de liefde Gods, willen we het zo graag goeddoen en Hem behagen. Daar is volgens mij niets mis mee.




[1] 1 Corinthiërs 3:9

1 opmerking:

M. de Boer zei

Jan, zou je een keer een blog kunnen schrijven over het ot vs het nt?
in de Pentateuch komt God er hard in, met veel "dan moet je het kwaad uit je midden wegdoens". Uiteindelijk was Jezus van het begin af aan toch de enige oplossing voor ons zonde-probleem. of moeten wij na onze redding ook nog wat doen?