25 mei 2013

En toen had God spijt

Het idee dat God spijt van iets zou kunnen hebben gaat er bij de meeste gelovigen niet in. Nadat Hij in eerste instantie met goedkeuring keek op Zijn scheppingswerk gaat het fout als de mens zijn autonomie opeist en Zijn eerste en enige gebod overtreedt. De reactie van God daarop is dat het hem spijt en pijn doet dat Hij de mens gemaakt heeft. Zijn besluit om de mens compleet van Zijn schepping weg te vagen vindt vervolgens geen doorgang omdat Hij toch nog een rechtvaardig mens aantreft (Noach). Aldus het verhaal in Genesis 6. Als je hierover vragen stelt komen er steevast de vastgeklonken antwoorden dat het een "wijze van spreken is" want hoe zou God in Zijn alwetendheid ergens spijt van kunnen hebben. De mogelijkheid dat Hij het niet had aan zien komen doet de rechtgeaarde gelovige helemaal op de grondvesten trillen. De vrijwel platte, menselijke weergave van reacties en emoties op dit drama wordt te vaak opgepoetst tot een geestelijke exercitie. Daar heb ik toch wel wat moeite mee omdat je vervolgens alle passages in het Oude Testament die ook maar een mogelijke verwijzing in zich hebben naar een God die op onverwachte wendingen stuit, van gedachten verandert of Zijn plan bijstelt, met dezelfde lap in de bestaande dogma's moet zien te poetsen.


De enige escape die ik kan bedenken is dat al deze verwijzingen in een veel groter verhaal passen. Dat is dan het grote verhaal van God die van het begin der schepping slechts een wens kent en dat is dat alle volkeren Hem vrijwillig erkennen als hoogste autoriteit en Hem met diezelfde vrijwilligheid loven (Psalm 67). Vervolgens verhaalt de Bijbel dan hoe die wens tot vervulling komt waarbij de centraliteit van Christus een onbetwistbare plaats inneemt.
De studenten die deze week les van mij krijgen vormen geen uitzondering op de verwachte en stereotiepe reactie die je wereldwijd aantreft. De bekende dogma's vlogen door de zaal. De poetslap, evenals de dogma's, zijn universeel. Het lijkt onmogelijk te geloven in een God die bij tijd en wijle voor aangename en onaangename verrassingen komt te staan.
Ja, het is een lastig dilemma en nee, de theologie heeft daar nooit een voldoende antwoord op kunnen geven zonder zich te bezondigen aan het construeren van paradoxen en kunstige formules.
Mijn uitdaging aan de studenten was om zich nooit te verschuilen achter de breed geaccepteerde dogma's van de alomtegenwoordigheid, alwetendheid en onveranderlijkheid van God, maar altijd te willen blijven verkennen en onderzoeken. De studenten beloofden plechtig zich hieraan niet te bezondigen.