23 april 2013

Laat de kinderen tot Mij komen (1-3)


De mensen probeerden kinderen bij hem te brengen om ze door hem te laten aanraken, maar de leerlingen berispten hen. Toen Jezus dat zag, wond hij zich erover op en zei tegen hen: ‘Laat de kinderen bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan.’ Hij nam de kinderen in zijn armen en zegende hen door hun de handen op te leggen. (Marcus 10:13-16)

Bij de uitlegging van deze passage wordt veelal de nadruk gelegd op de eigenschappen van het kind die de mens nodig heeft om het koninkrijk van God binnen te gaan:  kinderen zijn ontvankelijk, vertrouwen anderen gemakkelijk en zijn afhankelijk van de zorg door anderen en vertrouwen wat de grote mensen zeggen zonder daar al te veel vragen bij te stellen. Dat is echter wel een beetje een romantisch beeld dat slechts in een ideale, veilige en warme omgeving werkt. Iedereen die kinderen heeft weet dat een twee-, of driejarige echt niet van een brug springt omdat vader zegt dat hij je wel op zal vangen. De 30.000 kinderen die dagelijks sterven als gevolg van ziektes en ondervoeding hebben er waarschijnlijk niet veel vertrouwen in als vader zegt dat hij wel even een flesje Spa en een volkorenbrood bij de Super gaat halen. Het water is verontreinigd en het brood nergens te vinden. "Papa zorgt voor jou," is betrekkelijk.

Wat was de aanleiding van deze gebeurtenis?
De discipelen hadden net ruzie gehad over wie van hen de belangrijkste was. Dat is een discussie die ons niet helemaal vreemd is. Omdat we beschaafde mensen zijn zullen we deze discussie niet openlijk voeren maar speelt deze zich meer in ons eigen hoofd af. We weten dat we allemaal gelijk zijn maar diep van binnen geloven we dat we zelf ietsje meer gelijk zijn dan alle anderen.
Jezus had hen net proberen uit te leggen dat Hij zou lijden, sterven en opstaan uit de doden waar we lezen dat “Ze begrepen deze uitspraak niet, maar durfden hem geen vragen te stellen (:32).” De discipelen snapten er maar weinig van en waren blijkbaar meer geïnteresseerd in hun eigen plekje in het grote verhaal van God.

Morgen deel 2