16 januari 2013

Het clubje van Bonhoeffer

Ik ben "Life Together" van Bonhoeffer aan het herlezen. Bonhoeffer doet een poging om 1) te definiëren wat "gemeenschap" is en 2) die gemeenschap praktisch invulling te geven.
Gemeenschap is geen ideaal, maar een realiteit, is een van zijn  stellingen. De vraag is wat voor realiteit dat dan is. Het is in ieder geval een theologische realiteit. Of die realiteit zich ook daadwerkelijk manifesteert in een gebroken wereld waarin het ego meer uit is op de vervulling van de behoefte tot fysieke nabijheid van anderen is op zijn minst interessant om wat verder te verkennen.
Bonhoeffer onderkent het spanningsveld tussen enerzijds het emotionele verlangen van de mens om nabij de ander te zijn en anderzijds de diepere behoefte aan geestelijke gemeenschap. Dat eerste verlangen wordt wat al te gemakkelijk afgedaan als een zielsverlangen (dus aards, werelds en vleselijk) en voor het tweede onderneemt hij een poging om de randvoorwaarden te omschrijven die van belang zijn voor het creëren van die geestelijke gemeenschap.
Hij creëert hier een dichotemie die mijns inziens onterecht is. Ziel en Geest worden tegenover elkaar gezet als verschillende belangen dienend waarbij, om tot ware gemeenschap te komen, de ziel aan het kortste eind zou moeten trekken.
Dus de randvoorwaarden. Een christelijke gemeenschap is dat pas als:

1. de Christen niet langer redding en rechtvaardiging in zichzelf zoekt, maar alleen in Christus.
2. Christenen tot elkaar komen door Christus: Hij is onze vrede.
3. de Christen begrijpt dat hij Hem toebehoort. Met de ander en voor alle eeuwigheid.

Het abstractieniveau gaat hier in het kwadraat omhoog. Ik kan het theologisch begrijpen maar er ontbreekt iets in het mensbeeld van Bonhoeffer. Je leest niets over wat het werk van Christus voor gevolgen heeft voor de totale mens; de mens die je niet kunt opdelen in stoffelijke en geestelijke stukjes. Is de mens niet één; geschapen naar het beeld van God, die één is?

Het ontkennen of negeren van de menselijke, emotionele kant van het mens-zijn leidt helaas tot een vrijwel onmogelijk uit te voeren opdracht.
Toch heeft Bonhhoeffer getracht om het gestalte te geven. Het tweede deel van zijn boek gaat over "de dag in gemeenschap," waarin de nadruk ligt op de verwezenlijking van die geestelijke gemeenschap. Hoewel goed te volgen is deze moeilijk, zo niet onmogelijk uitvoerbaar in welke setting dan ook.
Bonhoeffer's antwoord was om die geestelijke gemeenschap met liturgie te vullen. Liturgische gebeden, bijbellezingen, gezangen leggen vanzelf de nadruk op de hemelse zaken zodat de aandacht als vanzelf daar naar toe gaat en er geen tijd  of gelegenheid is om van mens tot mens met elkaar te spreken. De verhouding is een stukje van de ene mens tot een stukje van de andere mens. Het beeld is niet kompleet. Het is onaf.

Dat wil niet zeggen dat het boek meteen door de papiervernietiger kan. Integendeel! Het is een van de betere boeken over het duiden van de gemeenschap die God voor ogen heeft en zit vol met parels die tot nadenken stemmen.

Mijn persoonlijk conclusie met betrekking tot "geestelijke gemeenschap" is dat of het nu John Wesley's "bands" betreft, Bonhoeffer's "gemeinschaft" of Jospeh Myers's "search to belong;" iedere poging om tot een ware geestelijke gemeenschap te komen zijn experimenten.
De mens blijft zoeken naar betekenisvolle aansluiting met anderen. Die is niet gemakkelijk te vinden, maar hij is er wel. Er zijn momenten dat je denkt het gevonden te hebben. Geef het een paar maanden en je ontdekt dat je er toch nog niet bent. Wat dan nodig is is het geloof in de door Bonhoeffer genoemde basis. Uiteindelijk is dat wat ons verbindt. Mensen die het als ideaal blijven zoeken, hebben eerder een destructief aandeel in het bouwen van zo'n gemeenschap dan dat ze er aan meewerken, zegt Bonhoeffer. Mensen die het zien als een theologische realiteit kunnen op de een of andere manier leven met de gebrokenheid die zich in het pogen om tot gemeenschap te komen manifesteert. Het onderkennen van gebrokenheid van de ander alsook het onderkennen dat de eigen gebrokenheid even groot, zo niet groter is dan die van de ander, maakt het al een stuk eenvoudiger om tot geestelijke gemeenschap te komen