24 februari 2012

Loopgraafvoeten

Het "ontdekken" en "begrijpen" van de wil van God beschrijven deze als een reis, of een proces (Ef. 5:10, 17) dat altijd in een context plaatsvindt. In zijn brief aan de Efeziers is die context het contrast dat Paulus schetst. Hij zegt: dit is het niet (meedoen aan de onvruchtbare praktijken van de duisternis en dwaas denken) en laat het aan de lezer om invulling te geven aan de tegenhanger; wat het wel is. En wat het wel is, is te toetsen (het woord dat hij voor ontdekken gebruikt is "aan een test onderwerpen). De uitkomst van die test, of reis, valt ruim binnen het gebied dat de paraplu van "goed, recht en waarheid" vrijhoudt van dwaze nattigheid.
Om "goed, recht en waarheid" te begrijpen kun je niet om de informatie heen die daarover in het instructieboek te vinden is. Veel zaken zijn vrij gemakkelijk te toetsen en Paulus noemt enkele voorbeelden. Als je een dief was; kappen met stelen. Wordt je kwaad? Niet boos blijven; doe er wat aan!
Zomaar twee instructies die best wel wat perspectief bieden aan mensen wier leven in het teken staat van wrok, haat en drift. De nattigheid van de wereld zegt dat je recht hebt op die gevoelens; je bent terecht kwaad. De moeilijke jeugd, de opgelopen trauma's, het aangedane onrecht; als je een optelsommetje maakt kun je allemaal wel wat meer of minder vinden. Vervolgens gaat die boosheid de mens en zijn denken en handelen bepalen. Niet de wil van God, maar het eigen gelijk wordt het reisdoel.
Een helend aspect aan het Evangelie is dat ik me niet langer door al die nattigheid hoef te laten bepalen. Ik hoef niet een groot deel van mijn leven met geestelijke loopgraafvoeten rond te lopen. Dat is niet alleen slecht voor mijn voeten maar heeft onmiddellijk en langdurig effect op mijn algehele welbevinden.

Onlangs vertelde een jongeman me dat hij voelde dat God hem toestond om een periode te puberen; zich in de nattigheid van de wereld te storten en dan te ontdekken of dat wat God als alternatief biedt, echt wel zoveel beter is.
Stelling: wanneer het voelen van Gods wil het ontdekken en begrijpen van die wil, op grond van Zijn geopenbaarde woord, verdringt, is de kans op loopgraafvoeten het grootst. Het nare ervan is dat de naastgelegen delen van het lichaam er door geïnfecteerd worden en samen met de voet afsterven.

18 februari 2012

Groeien in de ruimte


Zo'n driekwart meter van mijn neus,
daar loopt mijn lichaamsgrens, ja heus,
En al die onbebouwde lucht ertussen
Die is van mij, een lucht(ig) kussen.
Dus vreemdeling, tenzij je me begeert,
wil ik dat je manieren leert.
Passeer die grens vooral niet ruw:
Ik zal niet schieten, maar ik spuw.
(Auden 1965, vertaling F.R. Oomkes)

Edward Twitchell Hall, Jr. (May 16, 1914 – July 20, 2009) was een Amerikaanse antropoloog en cross-culturele onderzoeker. Hij is vooral bekend om de ontwikkeling van het Proxemics concept[1], een beschrijving van hoe mensen reageren en zich gedragen in verschillende cultureel bepaalde persoonlijke ruimte.



Het begrijpen van dit concept helpt om het (huis)kringenwerk in een gezond perspectief te plaatsen. De nadruk op kringen, die in sommige groepen extreme vormen aanneemt waarbij het massale van grotere kerken exclusief plaats maakt voor kerken die uitsluitend uit (huis)groepen bestaat, is deels gebaseerd op de aanname dat kleinere groepen hechter en intiemer zijn; men komt meer 'tot elkaar.'
Nu is het inderdaad zo dat een zondagsamenkomst vooral een gebeuren in de publieke ruimte is. Dat wordt over het algemeen wel onderkent. Om toch tot christelijke gemeenschap te komen zijn er de kringen. Echter, bijeenkomen in een kring, of lid zijn van een kring, betekent niet dat de onderlinge  relaties tussen de deelnemers aan die kring vanzelfsprekend als kwalitatief beter kunnen worden beschouwd of beleefd. 

Intimitiet en gemeenschap laten zich niet afdwingen of organiseren. Het blijft toch een kwestie van afwachten of er sprake is van een klik tussen de deelnemers. Neem een huiskring van een man of tien waar je lid van bent. De manier waarop je je verhoudt tot je negen mededeelnemers zal van persoon tot persoon verschillen. Als oefening zou je de namen van de negen andere leden in de verschillende ruimtes moeten proberen te plaatsen. In de praktijk zul je slechts een enkeling in je 'intieme' ruimte plaatsen.
Onder deze blog vindt je een korte omschrijving van de verschillende ruimtes [3].



De uitdaging, met name voor de kerk, is om niet slechts de publieke en intieme ruimte to propageren en te faciliteren maar ook de sociale en persoonlijke[2]. Het creëren en faciliteren van sociale ruimte (koffie voor de dienst bijvoorbeeld) voorkomt onder andere dat mensen de open tijd van gebed,  die sommige vrije gemeentes bieden, wordt misbruikt voor persoonlijke mededelingen (sommige profetieën zijn niets meer dan het ventileren van persoonlijke klachten of kritiek). 
Het rekent ook af met een al te strikte scheidingen tussen die broodnodige sociale ruimte en de agenda. We kennen het wel: "Als iedereen een plaatsje zoekt, dan kunnen we beginnen." De agenda is een zakelijke agenda en die moet worden afgewerkt. Niets mis mee, maar ongewild en onbewust wordt de sociale ruimte daarmee gedegradeerd tot 'mindere ruimte.' 

Interessant in mijn onderzoek is de score die men geeft aan de mate waarin de (huis)kring bijdraagt aan persoonlijke groei en transformatie. Van de tien mogelijkheden waaruit men kan kiezen, eindigt de kring slechts op de achtste plaats. De hoogste vijf scores vallen allen onder de noemer "vriendschappen" waarin men een belangrijke mate van intimiteit beleeft.


[1] De studie van het afstand houden in sociale interacties
[2] Met dank aan J. Myers "The Search to Belong."
[3] De vier ruimtes: 


1. Publieke of, openbare, ruimte 
Publiek 'thuis zijn' vindt plaats wanneer mensen zich met elkaar verbinden door een invloed van buitenaf. Supporters ervaren een vorm van thuishoren omdat ze hetzelfde team aanmoedigen. Ze dragen, voor de gelegenheid, gepaste kleding, staan vroeg op, blijven laat op en reizen door weer en wind, alleen maar om een wedstrijd te kunnen zien. Dit soort relaties zijn belangrijk in ons leven. Voor sommigen is de kerkdienst op zondagochtend een openbare ontmoeting en niet meer dan dat.


 2. Sociale ruimte 
Dit ervaren we wanneer we “polaroids” delen die we uit onze persoonlijke ruimte meenemen. Als iemand het begrip “eerste indruk” gebruikt, doelt hij/zij op deze sociale ruimte. Je verhoud je sociaal tot anderen op verjaardagsfeestjes, tijdens vergaderingen en de kassière van de plaatselijke supermarkt, de apotheker en veel van je collega’s of medestudenten. Sociaal thuishoren is om twee redenen belangrijk. Allereerst voorziet het in de ruimte om “buurman” of “buurvrouw” te zijn. Een buur is iemand die je goed genoeg kent om hem of haar om te vragen iets voor je te doen, of dat kopje suiker te lenen. Ten tweede is het belangrijk omdat het ons de ruimte verschaft waarin we die personen ‘selecteren’ waarmee we een diepere relatie willen ontwikkelen. In deze ruimte wordt informatie uitgewisseld die de ander helpt te beslissen of hij/zij zich wel aan ons wil verbinden. We krijgen net genoeg informatie om op een niet bedreigende manier die persoon op een afstand te houden of naar een andere ruimte te verplaatsen.


 3. Persoonlijke ruimte 
In deze ruimte delen we prive-, of persoonlijke ervaringen, gevoelens en gedachten. We noemen de mensen waarmee we ons in deze ruimte verbinden “goede vrienden.” Zij weten meer over ons dan een kennis maar ook weer niet zoveel dat het oncomfortabel wordt.


 4. Intieme ruimte 
In deze ruimte delen we “naakte” ervaringen, gevoelens en gedachten. Ieder mens heeft slechts een aantal relaties in deze ruimte. Zij zijn het die de naakte waarheid over ons kennen en we schamen ons niet.

14 februari 2012

God verandert wel, of misschien ook niet

Gisteren kwam ik een aardig staaltje van eenzijdige bijbeluitleg tegen. Op de vraag of God wel eens van gedachten verandert antwoordde de beantwoorder in een poging om de tekstgedeelten te verklaren waaruit blijkt dat God wel degelijk wel eens van gedachten verandert:
"De tekstgedeelten die worden geïnterpreteerd als zou God van gedachten veranderen zijn menselijke pogingen om het handelen van God te verklaren. God ging iets doen maar besloot het toch anders te doen. Wij zouden zeggen dat dat als een verandering klinkt. Maar voor God, die alwetend is en soeverein is het geen verandering. Hij wist altijd al wat Hij zou gaan doen." (bron)
Dit verwoordt de toch wel algemeen aanvaarde theoretische dogma's aangaande Gods alomtegenwoordigheid, alwetendheid en onveranderlijkheid.
Waar de beantwoorder scheef schaatst is de aanname onveranderlijkheid als uitgangspunt. Dat is de fundamentele gedachte die staat en iedere variant of afwijking daarop moet worden weggeïnterpreteerd.
Je zou echter van een ander fundamenteel uitgangspunt uit kunnen gaan; die van de veranderlijkheid van God en alle afwijkingen en varianten daarop weginterpreteren.

Een voorbeeld van de traditionele aanpak is deze:
We lezen in Maleachi 3:6, Jacobus 1:17 en Numeri 23:19 dat God nooit van gedachten verandert. Hoe moet ik dan een tekst als Genesis 6:6 lezen waar God er spijt van heeft dat Hij de mens gemaakt heeft en besluit om het experiment te stoppen?

Wat ook kan is dit:
We lezen in Genesis 6:6, Jona 3:10 en Exodus 32:14 dat God van gedachten verandert. Hoe moet ik een tekst als Numeri 23:19 dan lezen? Wat ik daar lees staat immers haaks op de gedachte die we in die andere verzen vinden!

Je kunt er zoveel Hebreeuws bijhalen als je wilt, wat blijft staan is dat de tegenstelling een reële is. Het is allebei waar. Waarom is men zo bang voor paradoxen en weert men deze als de pest? Kan het zijn omdat we het maar moeilijk vinden om te erkennen dat we iets gewoonweg niet weten? 

Wat de paradox overstijgt is de Genade. Die "is verschenen" en heeft ons het ware gezicht van God laten zien. Daar is niets paradoxaals aan. En dat is maar goed ook. Op dat fundament kun je bouwen: Christus.

13 februari 2012

Weg met de manager!

Wanneer een bedrijf moet bezuinigen zijn het vooral managers en consultants die voor hun baan moeten vrezen. Blijkbaar kan een bedrijf zonder deze 'plekken' aardig voortbestaan.
Stel je voor dat de minister die verantwoordelijk is voor de auto's de treinen en de boten toegeeft dat de scheiding van spoor en spoorboekje een gruwelijke, monsterachtige fout is geweest, spijt betuigt en belooft dat het spoor en het noodzakelijke boekje binnen drie weken weer herenigd worden. De machinist en conducteur worden weer verantwoordelijk voor hun trein en het stukje spoor waar de trein op rijdt. Een mogelijk slecht werkende wissel wordt weer tot meewerken gedwongen door er wat tegen aan te husselen.
Hoe groter de afstand tussen het mannetje en het produkt, hoe groter de afstand tussen dat mannetje en de klant. De klant doet er niet meer toe en het product eigenlijk ook niet. Hoe groter de afstand, hoe kleiner de betrokkenheid.
Wat dan optreedt is een extreme vorm van "compassion fatigue," ofwel, "ik word gillend gek van al die mensen die iets van me moeten." Die extremere vorm is "indifference fallout," ofwel "het kan me allemaal niets meer schelen."

"Toen Hij (Jezus)  de scharen zag, werd Hij met ontferming bewogen" (Mat. 9:36)
Cool!
Dus ook Jezus had het nodig om zich op de werkvloer te bewegen. Die concrete beweging werkte bewogenheid uit.
Een bedrijf of organisatie kan zonder al te veel nare gevolgen die mensen "laten gaan" die niet of nauwelijks op de werkvloer te vinden zijn. Uiteindelijk zijn deze meer last dan lust en dragen weinig tot niets concreets bij aan de uitvoering van welke missie dan ook.

Meewerkende managers, daar ben ik wat milder over. Die combineren leidinggeven met concrete betrokkenheid bij hun product. De "gewone arbeider" is dan niet langer de dupe maar wordt hooggacht als zijnde cruciaal voor het welslagen van de missie. Naar hen luister ik graag als ze wat te melden hebben.
Een loerend gevaar voor de Christelijke professionals is dat ze meer en meer verwijderd raken van de werkvloer. Ze worden experts en trainers die nog even kunnen teren op hun vroegere concrete betrokkenheid. Na verloop van tijd verworden zij tot mannetjes en vrouwtjes die alles keurig herleiden tot opsommingstekens en principes en de goegemeente in vertwijfeling achterlaten met de vraag hoe ze dat allemaal moeten doen. Het leven laat zich niet vergelijken met een in een keurige symmetrische partjes gesneden en verdeelde boterham met kaas maar eerder als een grillig soepje waarvan elk hapje weer anders is.



8 februari 2012

Recht op voorspoed

Zojuist in een boek begonnen dat meteen een zurig gevoel op mijn tong genereerde. Ralph Neighbour schrijft over een ontmoeting met een man die om gebed vroeg,

Een man vroeg me "Wil je voor me bidden dat mijn zaak mag floreren? Ik zit tegen een bankroet aan en ik wil dat God me zegent." Ik reageerde, "Mag ik je een vraag stellen? Heb je God trouw geëerd met de winsten die je maakte in het verleden? God zegt in Maleachi dat als we trouw aan Hem zijn en Hem niet van zijn tienden beroven, hij de sluizen van de hemel zal openen!"
Hij bekende, "Wel, ik moet zeggen dat ik het werk van de Heer al jarenlang niet heb gesteund."
"Ik heb een dilemma," zei ik, hardop denkend. "Hoe kan ik God vragen om een dief te zegenen die van God heeft gestolen? [1]

Een slecht begin van een overigens aardig boek. Het zet echter wel de toon en plaatst de materie in het theologische kader dat de schrijver omarmt. Dat theologisch kader komt er simpelweg op neer dat als ik God geeft wat (ik denk dat) Hem toekomst, geeft God wat ik vind of denk dat mij toekomt.
Het zijn dit soort vergelijkingen en veralgemeniseringen die het denken van complete volksstammen beheerst en de basis vormt voor het welvaartsevangelie. Het geloof wordt gereduceerd tot een rekensom. Daar waar dingen misgaan of niet uitwerken wat ik hoop of waar ik meen recht op te hebben kan het niet anders of er is een debet op  mijn kant van de balans. Vindt de debetpost, stort een krediet en de balans is weer zuiver. De zegenstromen kunnen weer ongehinderd en rijkelijk heen en weer stromen.
Ik heb vrienden die een eigen zaak hebben en door moeilijke tijden gaan. Personeel moet worden ontslagen en sommigen zitten zelfs tijdelijk zonder werk. Een mogelijk bankroet ligt niet alleen op de loer maar manifesteert zich aan hen als een welhaast onvermijdelijk monster. Deze zelfde vrienden ondersteunen het werk van de Heer (om even bij de cliché te blijven) rijkelijk en hebben volgens deze redenering eerder een tegoed dan een tekort bij de Heer opgebouwd. Toch gaat het niet goed. Misschien dat er ergens anders een onbalans is? Toch nog maar eens goed kijken.
Als het regent worden we allemaal nat. Net zo goed als dat de economische crisis gelovigen en ongelovigen raakt, zonder daarbij te discrimineren.
Zegen van God wordt te vaak en te gemakkelijk vertaalt in economische welvaart. Erg hip is momenteel ook de lichamelijke welvaart; alleen jammer dat we toch allemaal dood gaan, het zou fijn zijn als we ook daar in Jezus naam een stokje voor konden steken.
Stel dat de zakenman uit het voorbeeld wel het werk van de Heer trouw en royaal had ondersteund? Wat zou de auteur dan hebben gebeden? Tja, we weten het niet want dat soort voorbeelden doet het niet goed in een boek - de tienden werden keurig afgedragen en toch gaan de sluizen niet open. Dan weten we opeens niet zo goed wat we moeten bidden of sturen de vrager naar huis met de opdracht om nog eens wat serieus zelfonderzoek te doen; er is vast wel iets, ergens mis.
Even terzijde; als het om geld gaat zijn we er vaak als de kippen bij om met Oud Testamentische wetten en voorschriften te smijten. Niet zo heel erg consequent waar men zich tegelijkertijd beroept op en roemt in de Genade - we kunnen niets verdienen!
De manifestatie van Immanuel - God met ons - ongeacht onze lichamelijke, economische en wat voor omstandigheden dan ook is de rijkste zegen die men zich kan wensen. Daarvan te kunnen getuigen is de meest realistische uitdrukking van een diep besef van genade die in alle vezels van iemands bestaan is doorgedrongen.


[1] Ralph W. Neighbour, Jr.  Christ's Basic Bodies (Texas: TOUCH Publications, 2008), 23.

6 februari 2012

Relatie niet zonder religie

De populariteit van de bijna 20 miljoen keer bekeken clip op youtube waarin een jongeman zijn aversie tegen religie niet onder stoelen of banken steekt bevestigt het blijkbaar heersende ideee dat religie en relatie elkaar uit behoren te sluiten. Excessen in de geschiedenis maar ook in de huidige, moderne tijd verklaren de sympathie voor een accent op relatie en het exorciceren van religie, met name de religieuze systemen.
De vraag is echter of deze twee wel tegenover elkaar gesteld kunnen worden. Als je even snel door de vraag heenfietst is het antwoord een volmondig "ja." Maar wat nu als je in de handrem knijpt en de vraag wat nauwkeuriger bekijkt?
Elke relatie bestaat binnen een systeem. Dat systeem ontwikkelt zich vanzelf, met name in het begin van die relatie. Partners houden rekening met elkaars wensen, verlangens, persoonlijke ruimte en grenzen. In mijn relatie met Martha span ik me in om deze nauwgezet in acht te nemen (Cicero), me er aan te verbinden (Lactanius), mezelf achter te laten (Aulus Gellius), in alles te laten blijken dat ik haar verkies (Augustinus) Bron. Toen we op 2 juli 1982 trouwden beloofden we elkaar trouw. Aan deze belofte zijn door de wet voorwaarden en voorschriften verbonden (Zie burgerlijk wetboek 1, titel 5).
Met andere woorden, het systeem bepaalt de aard van de relatie.

Kan een relatie zonder religie? Het antwoord is simpelweg "nee." Een relatie zonder kaders, zonder systeem dat de grenzen, verwachtingen en verplichtingen beschrijft, is een relatie die voortdurend op drift is; het gaat slechts de kant op die omstandigheden en persoonlijke gevoelens dicteren. Het ontbreken van zo'n systeem kan alleen maar tot desillusie leiden; een die het gevolg is van verwachtingen die er wel zijn maar niet, of onvoldoende zijn uitgesproken en in lijn gebracht met wat de ander te bieden heeft of overeenstemmen met de verwachtingen van die ander.

Het geloof kan niet zonder religie; sterker nog, geloof is religie.Religie schept duidelijkheid. Jezus verwoordde Zijn verwachtingen omtrent een relatie met hem helder. Wanneer Hij het heeft over vader en moeder haten, bezittingen verkopen, kruis opnemen, doet Hij niets anders dan de voorwaarden en voorschriften op papier zetten. Juist het ontkennen van 'religie' leidt tot slappe, nietszeggende relaties die meer romantisch van aard zijn dan degelijke bouwwerken zijn die tegen een stootje kunnen.

Helaas zijn er excessen en die zullen er altijd blijven. De relatie, met het daarbij horende systeem, kan namelijk niet aan een ander worden opgedrongen. Daar waar men dit toch doet, gaat men voorbij aan het wezen van God, die de mens de vrijheid geeft om die relatie wel of niet aan te gaan. De mens verheft zich daarmee boven God en kent Hem eigenschappen toe die Hij niet heeft. Het (desnoods met geweld) vestigen van een theocratie is derhalve mensenwerk en is een schandvlek in de geschiedenis van de kerk.

3 februari 2012

De route naar de Rabbi


Wat doen mensen om op hun idool te lijken? Ze kleden zich als hun idool, gebruiken bij voorkeur dezelfde instrumenten of artikelen, imiteren de bewegingen tijdens een wedstrijd of optreden. Er zijn er echter maar weinig die zich aan hetzelfde strikte regime van training en voeding onderwerpen als hun favoriete voetbal-, of basketbalspeler. Ze willen er wel op lijken, maar het moet wel zo makkelijk en snel mogelijk. Dat is de zwakke schakel in de “Wat Zou Jezus Doen” benadering. Daar stellen we de vraag wat wij denken dat Jezus zou doen in een vergelijkbare situatie. Die vraag kan bijna onmogelijk objectief beantwoord worden omdat subjectieve componenten het objectieve vervagen. Wat denk ik, wat weet ik, wat wil ik, wat wens ik?  - we gaan te gemakkelijk voorbij aan het feit dat ons kennen onvolkomen is, en dat is dan een keurig woord.

Over het algemeen is dat ook de manier waarop wij met discipelschap omgaan. We leren zoveel mogelijk over Jezus om een arsenaal aan mogelijk acties en reacties op te bouwen die we in vergelijkbare situaties kunnen inzetten en gebruiken. Maar raakt het echt het wezen van ons "zijn"?
Scott Peck schrijft hierover:

Ik ken veel mensen die een visie hebben voor persoonlijke groei maar het ontbreekt hen aan de wil om het waar te maken. Ze willen, en geloven dat dit mogelijk is, de discipline die nodig is overslaan en zijn op zoek naar een sluipweggetje naar heiligheid. Vaak proberen ze het te bereiken door de oppervlakkigheden van heiligen te imiteren: een retraite in de woestijn of door timmerman te worden. Sommigen geloven zelfs dat ze door dergelijke imitaties daadwerkelijk heiligen en profeten zijn geworden. Ze zien niet meer dat ze nog steeds kinderen zijn en het pijnlijke feit moeten erkennen dat ze bij het begin moeten beginnen. [1]

"Alle begin is moeilijk," zegt men wel. Persoonlijk denk ik dat elk einde veel moeilijker is. Zonder goed einde is er geen gezond begin. Dat begin zal altijd achterhaald worden door een eind dat "onaf" bleek te zijn. Vandaar dat je Jezus er niet even bij kunt nemen. Het volgen van de Rabbi betekent dat huis en haard verlaten dient te worden, de schepen achter iemands leven verbrand dienen te worden. Je verhuist van Rotterdam naar Groningen om te studeren. Dan kom je niet iedere avond naar huis om te eten en te slapen om de volgende morgen vroeg weer naar het Noorden af te reizen. Natuurlijk blijft je familie je familie. In deze context moet mijn inziens het haten van de familie, het verkopen van de bezittingen en de opbrengst weggeven aan de armen en andere kwalificeerders moeten worden geïnterpreteerd.
Wat staat is een principiële bekering, een radicale omkeer; een nieuw begin waarbij het oude radicaal wordt afgezworen. Die omkeer is de eerste en belangrijkste stap naar een heldere route naar de Rabbi. Alleen een leeg blik kun je vullen. Een blik dat nog resten erwtensoep bevat zal uiteindelijk de hele inhoud doen rotten.
Maar het lijkt erop dat we zo graag toch nog wat vast blijven houden. "Een goed uiteinde," dat we elkaar voor een nieuw jaar toewensen, krijgt opeens een nieuwe dimensie.


[1] M. Scott Peck, The Road Less Traveled (New York: Simon & Schuster, 1978), 77.

2 februari 2012

Het knellende juk

Jezus maakte het de mensen niet gemakkelijk om een volgeling van Hem te worden. Om te kunnen voldoen aan de eisen die aan het volgelingschap hingen, moest een jonge vent eerst al zijn bezittingen verkopen, complete groepen werd opgedragen om vader en moeder, vrouw, kinderen en broeders en zuster, ja zelfs zijn eigen leven achter te laten (uhm, te haten). Dan heb ik het nog niet over kwalificeerders zoals "bekeert u."

Het besluit om Jezus te volgen is een van de meest traumatische in een mensenleven omdat het om zoveel meer gaat dan alleen een koerswijziging) met behoud van uitkering). Het raakt het wezen van de mens; zijn hart, zijn ziel. De erkenning dat er geen andere weg is dan (die van) Jezus impliceert de erkenning dat de eigen weg een heilloze is. Het betreft een persoonlijke toewijding aan Hem, die gestalte krijgt in het volgen van Hem en Hem de eerste plaats geven. In alle gevallen van “volgen” is er een bereidheid om Jezus in alles de eerste plaats te geven, ongeacht de kosten die dat met zich meebrengt.

Goed, iemand besluit om de kosten te berekenen en komt tot de slotsom dat het volgen van Jezus de prijs van het eigen leven waard is. Hij sluit zich aan bij de grote groep van volgelingen, of discipelen. Dat volgelingschap is niet een zwijgend volgen maar een actief meewerken aan het vormgeven aan de nieuwe taak: vissers van mensen ("Ik zal u maken tot..." Mat. 4:19).
Het gaat in discipelschap echter over meer dan een nieuwe taak. Het idee van het volgen van een Rabbi is dat de leerling op zijn Rabbi gaat lijken. Na verloop van tijd herkent men de Rabbi in de leerling: "o je kunt wel zien dat jij er een van Jezus bent."


Rabbi was en is een eretitel.  (Oorspr. Rab – ‘groot’, aanspreektitel voor iemand in een respectabele positie. Rabbi werd gebruikt voor mensen die in aanzien waren en waar met ontzag voor had. In tweede eeuw voor Christus werd Rab gebruikt voor ‘leraar’ en Rabbi voor ‘mijn leraar’ of ‘meester’. Nog later werd het gebruikt voor hen die de wet onderrichtten.
De schiftgeleerden lieten zich Rabbi noemen en Jezus zegt dat het onder zijn discipelen niet zo moet zijn (Matteüs 23:7); slechts één is uw meester.

Het is van groot belang om dit macro perspectief op volgelingschap te hebben. Zonder dit valt het volgelingschap uiteen in deeltjes die naar gelang de groep waar men zich bij aansluit de nadruk krijgen en daar lopen volgelingen op den duur op vast: het juk van de Rabbi, dat het leven lichter beloofde te maken, begint te knellen. En dat was nooit de bedoeling. Waar de focus moet liggen is op 'de route naar de Rabbi." Daarover morgen meer.