29 december 2011

Beelden dragen of liever toch niet (1-6)

De komende weken zal ik mijn blog regelmatig gebruiken als vingeroefeningen voor de afronding van mijn studie. Mijn onderzoek naar in welke mate het deel uitmaken van een kleine groep, of huiskring, bijdraagt aan  persoonlijke transformatie (of Christus gelijkvormigheid) begint met een theologie van eenheid en gemeenschap.
Als op de eerste bladzijde van mijn thesis kom ik inde problemen; de spanning tussen ideaal en werkelijkheid.
Jezus drukt een ideale werkelijkheid uit in zijn gebed tot de Vader in Johannes 17:20-23(*). Uit deze verzen kunnen we het volgende samenvatten en concluderen:

  1. Jezus wil dat zijn volgelingen een zijn. 
  2. Het model voor deze eenheid is te vinden in de eenheid met de Vader. 
  3. Eenmaal in die eenheid betrokken en er deel van uitmakend, zal de ervaring van deze eenheid zo'n invloed op zijn volgelingen hebben, dat de transformatie die blijkbaar binnen die eenheid plaatsvindt een impact hebben op de ongelovige wereld; de eenheid als instrument om de wereld ervan te overtuigen van de waarheid van het Goede Nieuws.
Met het genoemde onder "1" zullen weinigen moeite hebben. De uitwerking en het beoogde effect hiervan (3) levert grote problemen op. De geschiedenis van de kerk kenmerkt zich eerder door een gebrek hieraan. Hoewel er tal van individuele getuigenissen zijn van mensen die deze eenheid wel ervaarden en daarin de kracht van het Evangelie zagen; door de bank genomen verdient de demonstratie van deze eenheid geen schoonheidsprijs.We bakken er niet zoveel van.
Hoe komt dat? Was Jezus wel een realist? Of misschien meer een idealist?

Een belangrijk deel van het antwoord op dit dilemma heeft alles te maken met het onvoldoende begrijpen van het onder "2" genoemde. We zijn onvoldoende bekend met het model. Een chronisch tekort aan intrinsieke beleving heeft to gevolg dat we het naar buiten toe niet waar kunnen maken. 

Chagall, Unity
De mens in zijn dualiteit - man en vrouw - geschapen naar Gods beeld, doet zijn intrede in de materiële en levende wereld in de hoedanigheid als beelddrager Gods. Vrij om te kiezen ligt in dit beeld besloten. Die vrijheid impliceert, zoals Bonhoeffer het treffend beschrijft in "Creation and Fall" ook de vrijheid van God, schepping, medemens. Wil de mens echter zijn mens-zijn in de volste zin beleven, kan dat alleen in relatie tot God, de schepping en zijn medemens. De keuze van de mens om zich los van dat alles te bewegen zou een definitie van "zonde" kunnen zijn. In het herstel van de relatie met God door het volbrachte werk van Christus, is de weg ook weer open tot een gezonde relatie met de schepping en medemens. Het lijkt een van de taaiste eigenschappen van de zonde om de mens zijn schijnbare onafhankelijkheid op te doen geven: leven in eenheid, in gemeenschap, vraagt een fundamentele keuze. Die keuze is om te stoppen met dat te doen wat God aan zichzelf heeft voorbehouden: oordelen.

Wordt vervolgd.

(*) Ik bid niet alleen voor hen, maar ook voor degenen die door hun verkondiging in mij geloven. 21 Vader, laten ze allen één zijn zoals u in mij bent en ik in u ben. Laten ook zij in ons zijn; dan zal de wereld geloven dat u mij hebt gezonden. 22 De glorie die u mij hebt gegeven, heb ik hun gegeven opdat ze één zijn zoals wij één zijn: 23 ik in hen en u in mij. Zo zullen ze volmaakt één zijn, en dan zal de wereld weten dat u mij gezonden hebt en dat u hen hebt liefgehad zoals u mij hebt liefgehad.