22 april 2010

Van binnen lachen

Sara hoort vanuit de bescherming van de tent een van haar drie bezoekers aan Abraham melden dat ze over een jaar een kind zal hebben. Abram deed het eerder en nu doet zijn het ook; ze lacht in zichzelf.
Wij noemen dat ook wel een binnenpretje. Iets is of komisch of zo belachelijk en onwaarschijnlijk dat het haast weer komisch is. Dat laatste is hier aan de hand. Ik ken het gevoel ook wel. Iemand is zo overtuigd van zijn of haar gelijk over iets onbenulligs, onwerkelijks of doms dat je, om de zaak niet nog erger te maken of om je overtuigde vriend niet openlijk te kijk te zetten, je in jezelf lacht.
Het is ook wel wat bizar. De besjes, oud en afgeleefd (Sara's woorden) krijgen een baby.
"Zou voor mij iets onmogelijk zijn?" vraagt een van de reizigers als reactie op Sara's verborgen gehouden lachen.
Dit is nu typisch zo'n onmogelijke situatie waar maar een optie overblijft en dat is een bovennatuurlijk ingrijpen van God.
Naast alle "gewone" handelen van God lijkt Hij dit soort toekomstbepalende, bovennatuurlijke ingrijpen spaarzaam uit te delen. Een enkele keer hier, dan weer wat daar. Het lijken de zetten te zijn van de Grootmeester. Maar telkens als Hij een zet doet blijkt dat Hij ook degene is die het laatst lacht. Als we het zonder Zijn zetten moesten doen was het allang einde verhaal geweest.

Sara lacht,Houtsnede van Julius Schnoor von Carolsfeld, 1794-1872