29 december 2009

Geef Ons Nu Brood (1-5)

Het “Onze Vader” in Matteüs 6 staat ingeklemd tussen Jezus’ instructies over het geven, vasten, het verzamelen van schatten op aarde of in de hemel en maakt deel uit van het onderwijs over de ‘grondwet’ van het Koninkrijk van God in de hoofdstukken 5, 6 en 7.

Jezus geeft Zijn onderwijs vanuit een ontkenning. Als je geeft, vast, bidt, doe het dan niet sus, maar zo. Vervolgens is er dan een bevestiging: zo werkt het in het KvG.

Dat ‘sus’ was wat met er in de praktijk van te zien kreeg.

De geleerden en experts waren de voorbeelden die de Joden hadden. En, als het gezag zegt dat iets op een bepaalde manier moet, zal de meerderheid daarin toch wel volgen. Het juk dat de experts de Joden oplegden was te zwaar voor ze. De uitnodiging van Jezus om tot Hem te komen en Zijn juk op te nemen staat dan ook in deze context.

Het bidden was voor een belangrijk deel een show. “De huichelaars staan graag in de synagogen en op de hoeken van de pleinen te bidden, om zich aan de mensen te vertonen” (6:5). De heidenen voegden daar nog een element aan toe: Omhaal van woorden; “zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden” (:7).

Ook het geven wordt door Jezus bekritiseerd. In Jezus tijd geloofde men dat het geven van aalmoezen door God werd beloond.[1] Weldoeners lieten letterlijk hun komst voor zich uit bazuinen. De armen kwamen op het bazuingeschal af en de weldoener ontving publieke erkenning. Jezus stelt ontnuchterend dat deze weldoeners daar niets in de hemel mee verdienen. “Ze hebben hun loon reeds”; ze worden achtervolgd door paparazzi en mogen in talkshows hun verhaal komen doen.

Jezus had regelmatig confrontaties met de geestelijker leiders van het volk die enerzijds snel klaarstonden om prostituees, overspeligen, tollenaars, Samaritanen en zondaren (Lukas heeft het over zondaren zonder verder te specificeren) te oordelen en tegelijkertijd blind waren voor hun eigen zondigheid, trots (op hun geestelijkheid) en arrogantie. Deze laatste manifestaties van zonde zijn vaak subtieler en verraderlijker en worden daarom door Jezus nadrukkelijker belicht omdat ze net zo goed deel uitmaken van onze verlorenheid en gebrokenheid en waarvan we genezen moeten worden.

Jezus stelt als tegenhanger voor dat we de stilte en de onzichtbaarheid opzoeken. Waarom?

Ons publieke leven is vaak zo anders dan ons innerlijke leven. In de stilte van de binnenkamer komt onze ware aard naar boven. Daar komen we onze ware zelf tegen. We gedragen ons allemaal anders als we onder de mensen zijn. Als je alleen bent hoef je niet langer een rol te spelen.

Bill Hybels schreef een boekje “Wie je bent als niemand kijkt”. De titel alleen al zegt genoeg.

Velen van ons zouden zich diep schamen als dat wat we doen als niemand kijkt hier plotseling op een scherm geprojecteerd zou worden.

Als je afgezonderd in de binnenkamer God zoekt, begin je te begrijpen wat een geestelijk leven is! In de binnenkamer kan ons hart zich niet verstoppen en komen we tot God zoals we zijn; met onze twijfels, vragen, desillusie, boosheid, zorgen en noem maar op.



[1] In de eerste eeuw na Christus vroeg Tineius Rufus, de gouverneur van Judea eens aan Akiba, een rabbi, “Als God de armen liefheeft, waarom zorgt hij dan niet voor ze?” Akiba antwoordde dat God de zorg voor de armen aan de Joden had toevertrouwd zodat door hun barmhartige daden de Joden niet in de hel zouden komen.