3 juni 2009

Jones, deel III en slot

Hierbij het laatste stukje tekst van Jones over het dualisme van het wereldlijke en het heilige (in 1938 door hem geschreven).
Soms roept zijn interpretatie wat vragen op. Maar dat is wel aardig, vind ik.

Het Koninkrijk Gods maakt een eind aan het dualisme van het wereldlijke en het heilige.

De discipelen waren heel dicht bij de waarheid, toen ze zeiden: „Ziet u om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze noodige zaak" (Hand. VI : 3, Moffatt) — de dagelijksche uitdeeling van het brood. Zij zagen in, dat er geestelijke eischen moesten worden gesteld voor dat werk en dat die zich in dat werk moesten realiseeren. Maar ze geraakten op een dwaalspoor,toen ze zeiden: „Het is niet behoorlijk dat wij het woord Gods nalaten en de tafelen dienen", want hier maakten ze een verschil, dat in de latere geschiedenis van het Christendom verderfelijk geweest is. Ze werden den Meester ontrouw, die in de woestijn niet geaarzeld had, „de tafelen te dienen" voor de menigte en die van Zijn laatsten maaltijd een sacrament heeft gemaakt, dat door de eeuwen heen is blijven bestaan en die na Zijn wederopstanding op het strand een maaltijd bereidde voor Zijn hongerige discipelen na een nacht van vermoeienis. Hier trokken de discipelen zich terug uit dien stroom van de heiligheid van het geheele leven en van alle plichten en deden een poging, het leven te vergeestelijken buiten het stoffelijke om. Daardoor is de geestelijkheid een stand op zichzelf geworden, die beschouwd wordt als een groep onpractische droomers, niet als de krachtige architecten van een nieuw stelsel, die zich in de materieels verhoudingen een plaats veroveren om het Koninkrijk Gods daar, in die verhoudingen, te verwerkelijken. God heeft zijn best gedaan dat onderscheid weg te nemen, want hij heeft Stefanus in veel sterker mate gebruikt als evangelist, dan de apostelen die zich zoo hadden afgescheiden: „En Stefanus, vol van geloof en van kracht, deed wonderen en groots teekenen onder het volk... en zij konden niet weerstaan de wijsheid en den Geest door welken hij sprak". (Hand. VI : 8, 10). God aanvaardde de onderscheiding niet, die de apostelen gemaakt hadden; Hij negeerde die en gebruikte de tafeldienaren voor het werk, waarin de apostelen verondersteld werden specialisten te zijn: namelijk het geestelijke, veel meer dan de apostelen zelf. Dien wenk hadden ze moeten begrijpen. Philippus, een van de tafeldienaren, werd Philippus de evangelist", want God aanvaardde de scheiding van tafeldienaar en evangelist niet. Paulus heeft dien wenk begrepen en kon zeggen: „En gijlieden weet, dat deze handen tot mijne nooddruft en dergenen, die met mij waren, hebben gediend. Ik heb in alles getoond, dat men alzoo arbeidende, de zwakken moet opnemen en gedenken aan de woorden van den Heer Jezus Christus, dat hij gezegd heeft: „Het is zaliger te geven dan te ontvangen". (Hand. 20 :34, 35). En elders zegt hij: „Want gijlieden weet, hoe men ons behoort na te volgen, want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u; en wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag, werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn:... Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat zoo iemand niet wil werken, hij ook niet ets". (2 Thess. III : 7-10). Paulus heeft het principe van de eenheid van het zoogenaamd saeculaire en heilige beter begrepen dan de andere apostelen. Daarom had Paulus ook het gevoel, te staan buiten den stroom van het apostolische leven, dat verstarde tot een aparte klasse, een zoogenaamde heilige klasse. Hij stond aan den kant van de leeken, werd ook beschouwd als een leek... terecht trouwens! Maar juist daarin was hij trouw aan den geest en de sfeer van het evangelie. Want ook Christus was een leek en Zijn beweging was een beweging van leeken, die het Koninkrijk uitdroeg in het geheele leven en het geheele leven heiligde. De reden, waarom wij ons allen voelen aangetrokken tot Broeder Lawrence ligt in het feit, dat hij de Tegenwoordigheid Gods beoefende te midden van zijn potten en pannen. Anderen hebben geprobeerd de Tegenwoordigheid Gods te beoefenen buiten de potten en pannen om en zij stooten ons af. De Communisten ijveren voor een maatschappij van enkel werkers. Menschen die het leven hebben verdeeld in wereldlijke en geestelijke klassen heffen hun handen op ten hemel en zeggen, dat het leven wordt gesaeculariseerd. Maar de Communisten zijn, als ze deze onderscheiding niet wenschen te erkennen, dichter bij het Koninkrijk dan anderen, want zij probeeren hun gedachten te verwerkelijken in de materie en niet in een hokje apart, zooals de geloovigen zoo dikwijls geprobeerd hebben. Als Oman zegt „de echtheid van een godsdienst kan worden afgemeten naar den graad, waarin hij saeculair is", dan legt hij nog eens den nadruk op de noodzakelijkheid, den godsdienst te interpreteeren in de vormen van het zoogenaamd saeculaire leven.
Het Koninkrijk Gods is de eisch, het geheele leven te stellen onder één hoofd, één gedachte. Het maakt een eind aan alle saecularisme, door alles wat saeculair was, heilig te maken, en het maakt een eind aan alle gewijdheid, door alles wat gewijd was te saeculariseeren. Alles is leven, eenvoudig leven.

E. Stanley Jones, Aan ons de Beslissing (Amsterdam: H.J. Paris, 1938), 136-41